Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van 1930 geeft ons reden dit cijfer thans hooger te stellen. Aangenomen mag worden, dat op de daling in Amsterdam ook het lager geboortecijfer van invloed is, doch dit kan van de daling nog niet de voornaamste reden zijn. Wat voor Amsterdam geldt, geldt trouwens, zij het in geringer mate, ook voor de andere groote steden met hun belangrijker percentages „onkerkelijken" dan in de meeste kleinere plaatsen.

Aantal gemeenten waarin Joden wonen.

Uit de voorgaande tabellen kan inzicht worden verkregen in de vraag waar, in welke groepen van gemeenten, de Joden in Nederland wonen. Zij geven echter geen licht omtrent andere vragen, als: in hoeveel Nederlandsche gemeenten wonen Joden en in welken getale wonen zij in elk dier gemeenten? De cijfers van tabel X, betrekking hebbende op den aanvang en het einde der jongste halve eeuw, geven ons in deze een aanwijzing.

Uit deze tabel blijkt,

dat in ongeveer twee derden der 1078 Nederlandsche gemeenten geen Joden wonen;

dat het aantal gemeenten waarin Joden wonen, in de laatste halve eeuw is gedaald van 464 tot 407;

dat deze daling op het aantal gemeenten waarin 500 of meer Joden wonen geen invloed heeft gehad;

dat deze daling in hoofdzaak de groepen van gemeenten betreft met minder dan 200 Joden;

dat de groep gemeenten waarin 51—100 Joden wonen den sterksten achteruitgang vertoont;

dat in 1879 van het aantal gemeenten waarin Joden woonden, driekwart 50 of minder Joden telden; dat in 1930 dit percentage is gestegen tot rond tachtig procent.

Wanneer men, voor 1930, naast de cijfers van deze tabel de absolute en de relatieve cijfers plaatst omtrent het aantal Joden,

Sluiten