Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan bij de „andere kerkelijke gezindten", het grootst bij de kleinste groep, de Portugeesch-Israëlieten.

Dit grooter vrouwenoverschot doet een relatief grooter aantal ongehuwde Joodsche vrouwen verwachten of bij de Joodsche vrouwen een relatief grooter aantal gemengde huwelijken, dan bij de vrouwen behoorende tot de andere of geen kerkelijke gezindten.

Leeftijd en geslacht.

De leeftijdsopbouw van de Joden wijkt belangrijk af van die der geheele Nederlandsche bevolking. Dit kan blijken uit de tabellen A en B (bladzijden 132 en 133), die de absolute en de percentische cijfers bevatten omtrent de verdeeling van de Nederlandsch- en Portugeesch-Israëlieten naar geslacht en leeftijd en daarnevens van de geheele Nederlandsche bevolking, volgens de uitkomsten der laatste vier volkstellingen.

Uit tabellen A en B blijkt, dat gedurende de geheele periode waarop zij betrekking hebben, de jongste leeftijdsklassen bij de Joden slechter bezet zijn dan bij de geheele bevolking. Wel daalt ook bij de geheele bevolking van volkstelling tot volkstelling het aandeel dier klassen, bij de Joden vindt die daling in een sneller tempo plaats, zoodat het nadeelige verschil voor hen ook steeds grooter wordt.

In de geheele periode 1899—1930 daalde het aantal jongens beneden de tien jaar bij de Nederlandsch-Israëlieten met 35 procent, het aantal meisjes dezer leeftijdsklasse met 36 procent. Bij de Portugeesch-Israëlieten bedroeg de daling voor de jongens 38 procent, voor de meisjes 36 procent.

Voor de geheele Nederlandsche bevolking echter bedroeg de daling zoowel voor de jongens als de meisjes beneden tien jaar 13 procent.

Scherper teekenen de onderlinge verhoudingen en verschillen zich nog af, wanneer men de cijfers van tabel B tot drie leeftijdsklassen terugbrengt, hetgeen hieronder in tabel XII is gebeurd.

Deze cijfergroepeering doet de uit tabel B getrokken conclusies nog meer relief verkrijgen.

Sluiten