Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en 135) welke een verdeeling bevatten van de Joden in Nederland naar geslacht en leeftijd over de verschillende groepen van gemeenten bij de volkstelling van 1930.

Trekt men, evenals met tabellen A en B gebeurde, ook van deze tabellen de cijfers samen, dan verkrijgt men het volgende resultaat.

XIII. Verdeeling der Joden naar geslacht en leeftijd in drie leeftijdsgroepen over de gemeenten beneden en boven 100.000 inwoners bij

de volkstelling van 1930.

Gemeenten met een aantal inwoners van

minder dan 100.000 meer dan 100.000

Leeftiiden

mann. vrouw. mann. vrouw. mann. vrouw. mann. vrouw,

absoluut in procenten absoluut in procenten

Bened. 20 jaar 3029 3006 29,2 27,4 13613 13212 31,5 28,0

20—49 jaar 4494 4594 43,3 41,8 19775 21650 45,7 45,7

50 j. en ouder 2860 3378 27,5 30,8 9884 12391 22,8 26,3

Totaal 10383 10978 100,— 100,— 43272 47253 100,— 100,—

Bij de mannen is de jongste leeftijdsklasse in de gemeenten met minder dan 100.000 inwoners nog iets slechter bezet dan in de groote gemeenten, evenals de groep 20—49 jarigen. In de kleine gemeenten vormen de Joodsche mannen dus een nog meer verouderende bevolking dan in de groote gemeenten.

Bij de vrouwen is de jongste leeftijdsklasse in beide groepen van gemeenteneven sterk bezet. Ook hier is de oudste leeftijdsklasse in de groep der kleinere gemeenten zwaarder bezet dan in die der groote.

In welke mate de factor verhuizing naar de groote stad in het verleden haar invloed heeft doen gelden zoowel op de leeftijdsverdeeling van Joden in de nieuwe als in die van de gemeenten waaruit de verhuizing geschiedde, valt niet na te gaan. Gezien de absolute cijfers, valt echter te verwachten, dat, ook bij het voortduren dezer migratie, de leeftijdsopbouw van de Joden in de groote gemeenten, voornamelijk Amsterdam, door de verhoudingen in de kleine gemeenten weinig meer kunnen worden beïnvloed.

In elk geval blijkt uit deze cijfers, dat, zoo er in de kleine gemeenten

Sluiten