Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Volgens de uitkomsten van de volkstelling 1930 waren de verhoudingen voor beide groepen de volgende:

In den vruchtbaarheidsleeftijd zijn onder de Joodsche vrouwen dus minder vrouwen gehuwd dan onder de vrouwen der geheele bevolking, met andere woorden: onder de Joodsche vrouwen hebben relatief minder vrouwen deel aan de procreatie dan onder de vrouwen der niet-Joodsche bevolking.

De invloed van deze omstandigheid op het aantal geboorten zou alleen te niet kunnen worden gedaan door een grooter gemiddelde vruchtbaarheid van de Joodsche gehuwde vrouw dan van de nietJoodsche. Zooals uit de cijfers, vermeld in het hoofdstuk „Geboorte", blijkt, is echter juist het tegendeel het geval.

Voor de toekomst komt dit dus neer op een geringer aanvulling van de procreatieve leeftijdsgroepen, met als gevolg een verdere daling van het aantal geboorten.

Leeftijdsver deeling gehuwde vrouwen.

Het proces van den achteruitgang van het aandeel der gehuwde Joodsche vrouwen in het totaal van alle gehuwde vrouwen, is reeds geruimen tijd aan den gang. Dit kan blijken uit de cijfers van tabel XIV, welke berekend zijn naar de uitkomsten van de laatste drie volkstellingen.

Bij de beschouwing van deze cijfers dient men er rekening mede te houden, dat in de eerste na-oorlogsjaren de huwelijksfrequentie zeer was gestegen, zoodat men mag aannemen, dat in normale omstandigheden ook de cijfers voor 1920 reeds beneden die van 1909 zouden zijn gebleven.

In verband met de hiervoren gegeven beschouwingen is vooral de daling van het aandeel van de jongste en voor de procreatie voornaamste groep gehuwde vrouwen, van beteekenis. Juist van deze groep en van die der volgende, de 30—39-jarigen, is de daling het grootst geweest.

T ,j Gehuwde vrouwen Gehuwde vrouwen

ee y sgroepen onder Joodsche vrouwen onder alle vrouwen

20—29 jaar 37,3 % 42,3 %

30—39 „ 73,0 „ 78,1 „

40—49 ,, 73,4 ,, 78,9 ,,

Sluiten