Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze cijfers toonen aan, dat de gemiddelde huwelijksfrequentie van de Joodsche mannen niet slechts hooger is dan van de Joodsche vrouwen, doch ook hooger is dan van de niet-Joodsche mannen. De huwelijksfrequentie van de Joodsche vrouwen ligt belangrijk beneden die van de niet-Joodsche vrouwen. Dat desondanks onder alle Joodsche vrouwen tezamen het percentage gehuwden grooter is dan onder de niet-Joodsche vrouwen (zie cijfers 1920 en 1930, tabel XVIII, bladzijde 53), hangt samen met het verschil in leeftijdsverdeeling.

Huwelijksfrequentie per leeftijdsgroep.

Van een tweetal jaren, 1930 en 1931, staan ons ook cijfers ten dienste omtrent de huwelijksfrequentie naar leeftijdsgroep. Past men voor de in genoemde jaren gesloten huwelijken per leeftijdsgroep dezelfde methode toe als hierboven geschiedde voor het totaal aantal huwenden in de jaren 1929—1932, dan zijn de gemiddelde uitkomsten per jaar:

XX. Huwelijksfrequentie van Joden en niet-Joden te Amsterdam per 1000 van elk geslacht in iedere leeftijdsgroep.

(Gemiddelde 1930/31).

Joden niet-Joden

Leeftijdsgroep

mannen vrouwen mannen vrouwen

20—29 jaar 100 115 103 121

30—39 „ 129 51 121 57

40—49 76 31 69 25

50 jaar en hooger.... 26 4 23 6

Terwijl de Joodsche mannen in alle leeftijdsgroepen een hooger huwelijksfrequentie bezitten dan de niet-Joodsche, is deze frequentie echter lager voor den leeftijd van 20—29 jaar. Bij de Joodsche vrouwen is de huwelijksfrequentie hooger in den leeftijd van 40—49 jaar. In de beide jongere leeftijdsgroepen, m.a.w. in den voor de procreatie gunstigsten leeftijd, ligt zij belangrijk lager.

Uit deze cijfers blijkt dus voor deze periode ook voor Amsterdam

Sluiten