Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vergelijking van de cijfers van overzicht XXVI met de cijfers omtrent het Rijk, op bladzijde 52, levert eenige interessante uitkomsten.

In de eerste plaats treft het, dat terwijl het percentage Katholieke kerkelijk ingezegende huwelijken voor het Rijk 95 bedraagt,

XXV. De sinds 1901 kerkelijk ingezegende Jood-

sche huwelijken te amsterdam.

Periode Aantal kwkdiike 0p 100

huwelijken inzegeni^gen huwelijken

1901—1905 . . 1834 1784 97,3

1906—1910 . . 2181 2135 97,9

1911—1915 . . 1979 1904 96,5

1916—1920 . . 2628 2525 96,1

1921—1925 . . 2753 2610 94,8

1926—1930 . . 2309 2161 93,6

1931—1933 . . 1380 1268 91,9

dit voor Amsterdam niet hooger is dan 76. In een kwart van de huwelijken tusschen Katholieken blijkt sinds 1921 het verband met de kerk dus zoo zwak te zijn, dat de huwenden geen prijs stelden op kerkelijke inzegening.

Het aantal kerkelijk ingezegende Protestantsche huwelijken, dat voor het Rijk reeds het lage percentage van 34 had bereikt, blijkt voor Amsterdam nog lager te zijn, namelijk 31.

Deze verschillen voor Katholieken en Protestanten vallen grootendeels te verklaren uit het feit, dat de eerste cijfers betrekking hebben op het Rijk, de laatste op de hoofdstad, waar de godsdienstige en kerkelijke band voor groote groepen van de bevolking losser is dan elders en uit het feit, dat de cijfers omtrent het Rijk ongeveer twintig jaar ouder zijn dan die omtrent Amsterdam.

Zoo deze verklaringen juist zijn voor Protestanten en Katholieken, dan moeten zij uiteraard ook geldigheid hebben voor de cijfers der Joodsche huwelijken. Dan echter doet zich het eigenaardige verschijnsel voor, dat de percentages omtrent de Joodsche kerkelijk

Sluiten