Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de eerste plaats volgen hier cijfers omtrent de scheidingen van niet-gemengde huwelijken.

Echtscheidingen tusschen: 1926—1933

Joden 263 ( 7,13)

Protestanten 1621 (10,07)

Katholieken 505 ( 6,88)

Personen zonder kerkel

gezindte 538 (13,92)

De hier en op de volgende bladzijde tusschen haakjes geplaatste cijfers zijn de percentages, welke verkregen worden, wanneer men het aantal echtscheidingen berekent op honderd in dezelfde periode voltrokken huwelijken van dezelfde combinatie. Er zit in deze methode dit willekeurige, dat de echtscheidingen niet op juist dezelfde, zij het wel op dezelfde soort huwelijken betrekking hebben. Houdt men hiermede rekening, dan zijn de aldus verkregen verhoudingscijfers toch wel in staat eenige aanwijzing te vormen omtrent het verband tusschen kerkelijke gezindte en echtscheiding x).

Het blijkt dan, dat het echtscheidingspercentage van Joden en Katholieken ongeveer gelijk is, zij het dat dit van de laatste groep het laagste is. Tusschen de percentages van deze beide groepen en dat van de Protestanten bestaat een duidelijk verschil.

Het hoogste frequentiecijfer blijkt te bestaan bij de groep huwelijken tusschen personen, welke geen van beiden tot een kerkelijke gezindte behooren.

Voor de gemengde huwelijken waarbij Joden betrokken waren, zijn de cijfers:

1) Een nauwkeuriger methode ware een berekening van het aantal echtscheidingen op het aantal bestaande huwelijken naar kerkelijke gezindte van man en vrouw. Daar dit aantal echter niet bekend is, moest van het tcepassen dezer methode worden afgezien. Waar het bij buitenlandsche onderzoekingen mogelijk was beide methoden toe te passen, bleken de uitkomsten van beide in groote trekken met elkander overeen te stemmen. Vgl. R. E. May, „Mischehen und Ehescheidungen", in „Schmollers Jahrbuch", 1929. I. bladzijde 395.

Sluiten