Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kindersterfte.

Omtrent de zuigelingensterfte staan ons gegevens ten dienste over de jaren 1906—1910.

XLVIII. Zuigelingensterfte 1906—1910.

Aantal overledenen beneden het jaar op 100 levend geborenen

Jaren Geslacht Totaal

Israël. Prot. R. K. (incl. overigen)

1906. . . jongens 8,94 12,36 17,01 13,75

meisjes 6,52 10,— 14,24 11,76

Totaal 7,78 11,31 15,66 12,71

1907, 1908 jongens 8,46 11,12 15,93 12,93

meisjes 7,85 9,34 12,92 10,68

Totaal 8,16 10,25 14,46 13,75

1909, 1910 jongens 7,34 9,63 14,07 11,35

meisjes 6,32 7,89 11,54 9,30

Totaal 6,83 8,78 12,83 10,35

De cijfers omtrent de Joodsche zuigelingensterfte zijn hier constant belangrijk lager dan van de beide andere groepen en liggen ook verre beneden het algemeen gemiddelde.

Houdt men rekening met de cijfers omtrent de geboorten, dan komt ook in deze cijfers het feit tot uitdrukking, dat een groot geboortecijfer in den regel gepaard gaat met een groote sterfte van kinderen beneden het jaar, maar ook het omgekeerde, namelijk, dat een laag geboortecijfer bij bepaalde sociale omstandigheden samengaat met een laag cijfer voor zuigelingensterfte.

Bij de volkstelling 1930 is een onderzoek ingesteld naar het aantal overleden kinderen per huwelijk. De voornaamste uitkomsten van dit onderzoek volgen hier.

Sluiten