Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XLIX. Overleden kinderen in percenten van het aantal

levend geborenen.

Kerkelijke gezindte van de vrouw

Huwelijken ge- Protest. Geen

sloten in: Israël. (8 kerk. R. K. kerkel. Totaal

gez.) gez.

1910—1906 8,21 11,98 16,55 11,77 13,46

1905—1901 11,15 14,79 19,90 14,66 16,47

1900—1896 16,08 18,09 23,55 17,88 19,82

1895—1891 15,39 20,53 25,43 20,29 21,95

1890—1886 19,54 23,92 27,74 22,34 24,83

1885 en daarvóór . . 22,40 28,35 31,49 26,72 28,94

Totaal 14,96 18,45 22,27 16,66 19,42

Deze tabel toont aan, dat in de meer dan een halve eeuw waarop zij betrekking heeft, de Joden steeds een lager kindersterfte hadden dan de overige groepen. Reeds in de oudste periode (1885 en daarvóór) was dit verschil belangrijk (algemeen percentage: 28,94; Joodsch percentage: 22,40).

In dit overzicht komt ook de algemeene daling van de kindersterfte tot uiting. Voor de verschillende groepen en voor het totaal bedraagt deze daling voor de huwelijken van 1910—1906 in percenten uitgedrukt van die gesloten in 1885 en daarvóór:

Joden 63 procent

Protestanten. .58 „ Roomsch-Kath. 48 „ Geen kerk. gez. 57 ,, Totaal . . 53 „

Was dus reeds in de oudste hier vermelde periode de kindersterfte bij de Joden lager dan de totale kindersterfte, de daarna ingetreden daling dier sterfte was bij de Joden ook een snellere dan bij de overige groepen. Hoeveel sterker de kindersterfte bij de Joden is gedaald dan bij de overige groepen, kan hieruit blijken, dat het percentage

Sluiten