Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit deze tabel blijkt ook, dat de sterfte bij de mannen van beide groepen in de drie perioden is gedaald. Echter was de daling bij de Joden zóó gering en bij de overige bevolking zóó sterk, dat terwijl in de periode 1905—1914 het sterftecijfer van de Joodsche mannen lager was dan van de niet-Joodsche, dit reeds in de periode 1916— 1925 anders was geworden en in de periode 1928—1933 het cijfer van de Joodsche mannen belangrijk hooger is dan van de nietJoodsche. Het gemiddelde jaarlijksche sterftecijfer voor de Joodsche mannen is gedaald met vier procent, dat van de niet-Joodsche met vierendertig procent.

Bij de vrouwen liggen de verhoudingen voor de Joden nog ongunstiger. Hier is het sterftecijfer niet langzaam gedaald, doch langzaam gestegen, terwijl het voor de niet-Joodsche vrouwen in denzelfden tijd een belangrijke daling vertoonde. Het sterftecijfer van de Joodsche vrouwen bedroeg in verhouding tot dat van de niet-Joodsche vrouwen in de periode 1905—1914 84 procent, in de periode 1916—1925 95 procent, in de periode 1928—1933 131 procent.

Van de algemeene daling van het sterftecijfer te Amsterdam, valt dus sinds de periode, welke ligt rondom het jaar 1910, bij de Joodsche mannen het minst terug te vinden, bij de Joodsche vrouwen in het geheel niets.

De sterfte verhoudingen, welke bij de Joden nog tot 1920 bij uitstek gunstig mochten worden genoemd1), zijn dus verdwenen. In welke mate dit ook voor de afzonderlijke leeftijdsgroepen het geval is, leert dezelfde tabel.

Zij het niet voor alle leeftijdsgroepen in dezelfde mate, de verhoudingen waren zoowel voor de mannen als voor de vrouwen in de eerste beide perioden gunstiger voor de Joden dan voor de overige bevolking, waarbij op te merken valt, dat de verschillen in de tweede periode reeds geringer waren dan in de eerste.

In de derde periode echter (1928—1933) is het sterftecijfer van de Joodsche mannen boven de veertig jaar, met uitzondering van de groep van tachtig jaar en ouder, hooger dan van de overeenkomstige leeftijdsgroepen der overige bevolking.

1) Vgl. „Statistiek der bevolking van Amsterdam tot 1921". Statistische Mededeeling no. 67, bldz. 172.

Sluiten