Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat de vrouwen aangaat is in deze periode, behalve voor de jeugdigen (— 20 jaar) en de groep van 30 tot 39 jaar, van de Joodsche vrouwen het sterftecijfer in alle groepen hooger dan van de overige vrouwelijke bevolking.

Om de mate der verschillen in de afzonderlijke leeftijdsgroepen voor elk der drie perioden na te gaan, kan overzicht Lil dienen.

LIL Verhouding der sterfte van Joden tot de sterfte van niet-Joden te Amsterdam, naar geslacht en leeftijd in de

jaren 1905—1933.

Als de sterfte der Joden in elke leeftijdsgroep en in elke

periode afzonderlijk, gesteld wordt = 100, dan bedraagt

die der niet-Joden:

Perioden •—— — ~~

Mannen

_20 1 20-29 30-39 40-49 | 50-79 80- Tot~~

1905-1914 148,7 130,7 115,1 134,4 104,7 108,8 116,5

1916-1925 139,5 119,9 131,6 117,7 101,2 108,8 104,6

1928-1933 136,4 115,3 116,6 82,1 87,4 103,6 80,7

Vrouwen

1905-1914 163,7 203,9 122,9 116,0 103,0 108,8 116,7

1916-1925 146,2 116,1 129,5 121,5 105,4 105,2 104,9

1928-1933 117,9 88,8 102,8 93,6 95,1 92,5 76,3

Ook wanneer men rekening houdt met de mogelijkheid van invloed van het toeval bij enkele groepen met lage absolute cijfers — een mogelijkheid, welke trouwens ook vroeger bestond — dan blijkt uit deze cijfers toch duidelijk, dat de omslag in de sterf teverhoudingen in de laatste periode niet een plotselinge is, doch voorafgegaan is door de reeds lagere cijfers der tweede periode.

Treffend is bovendien, dat ook het gunstige verschil voor de Joden in de lagere leeftijdsklassen belangrijk is gedaald en voor de vrouwen in den leeftijd van 20—29 jaar in de periode 1928c 1933

reeds niet meer bestond.

Voor wie bekend is met de opvattingen, welke in de literatuur tot uiting zijn gebracht omtrent de gunstige sterfteverhoudingen

Sluiten