Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De verhoudingen van de laatste dertig jaren kunnen voor de Amsterdamsche Joden reeds met enkele cijfers worden duidelijk gemaakt.

De Joodsche bevolking is van 1900 tot 1930 toegenomen van 59065 tot 65523 = 9 procent

Haar aandeel in de totale bevolking is gedaald van

11,6 tot 8,7 procent = — 25 „

Het aantal Joodsche personen, dat een huwelijk sloot,

is van 1900 tot 1930 toegenomen van 662 tot

1059 = 60

Het aantal zuiver Joodsche huwelijken van 317 tot

444 = 40

Het aantal geborenen van Joodsche moeders is gedaald van 1415 tot 877 = — 38 „

De abnormale ontwikkeling in de onderlinge verhouding tusschen huwelijk en geboorte, spreekt uit deze cijfers zoo duidelijk, dat zij geen nadere toelichting behoeft. Bij een normaal beloop zou men bij toeneming van het aantal huwelijken ook een zekere toeneming der geboorten hebben mogen verwachten. Hier is juist, en in belangrijke mate, het tegendeel het geval.

Hoe snel voor de Joden te Amsterdam het oogenblik nadert, waarop de sterfte de geboorte zal overtreffen en hun aantal dus door natuurlijke oorzaken in absoluten zin zal achteruitgaan, kan blijken uit tabel LV, welke als het ware een bevolkingsbalans vormt.

Het dalen van het verschil, d. w. z. van het saldo, is uitsluitend het gevolg van de daling van het aantal geboorten, welke blijkens de cijfers voor de jaren na 1930 nog verder, en in snel tempo, voortgaat. Het van periode tot periode kleiner worden van het gunstig verschil vormt de basis voor de verwachting van een spoedig aanstaand ongunstig verschil, dat, wanneer men rekening houdt met de geboorten uit Joodsche moeders in gemengd huwelijk, eigenlijk thans reeds bestaat.

Door gebrek aan dezelfde gegevens voor de Joden buiten Amster-

Sluiten