Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het demografische gegeven, waarin die abnormale verhouding het meest tot uitdrukking komt, is de geboorte. Uit de hiervoren gegeven cijfers is komen vast te staan, dat de Nederlandsche Joden zich van de overige groepen op dit punt niet onderscheiden door den achteruitgang der geboorten — deze valt voor alle groepen waar te nemen — doch door het tempo en de intensiteit van dien achteruitgang.

Evenals elders het geval is, zijn uit een oogpunt van algemeene bevolkingspolitiek, ook in Nederland de Joden in bepaalde sociale opzichten hun tijd vooruit en vallen bij hen verhoudingen waar te nemen, die bij de overige bevolking eerst in de toekomst te verwachten zijn 1).

Een enkel cijfer ten slotte kan deze stelling toelichten.

Het gemiddeld aantal levendgeborenen per echtpaar, waarbij de vrouw Jodin was, bedroeg voor de huwelijken gesloten in de periode 1890—1886 5,55. Het overeenkomstige cijfer voor het totaal aantal huwelijken dierzelfde periode bedroeg 6,98. Dit laatste cijfer is eerst voor de huwelijken van twintig jaar later, dus voor die, welke gesloten zijn in de periode 1910—1906, gedaald tot 5,20, het niveau, dat reeds bijna was bereikt door de Joodsche huwelijken der periode 1890—1886.

Omtrent de sterfte zagen wij voor Amsterdam, dat de gunstige cijfers welke de Joden rond 1909 vertoonden, eveneens twintig jaren later door de overige bevolking waren bereikt, zelfs overtroffen.

In de leeftijdsverdeeling valt eenzelfde tendenz waar te nemen, hetgeen natuurlijk met deze geboorteverhoudingen in het nauwste verband staat. Tengevolge van de daling van het geboortecijfer ook bij de niet-Joodsche bevolking, zal in de toekomst ook voor haar het sterftecijfer een overeenkomstig verloop vertoonen.

Ook voor Nederland geldt dan ook de uitspraak van Lestschinsky: ,, . . . überall eilt die jüdische Bevölkerung der nichtjüdischen Bevölkerung um mehrere Jahrzehnte voraus, insbesondere in Bezug auf das Sinken der Geburtlichkeit"2), evenals die van Ruppin: „Die Statistik der Juden zeigt hier besonders deutlich ihren Nutzen als Barometer für die allgemeine Statistik" 3).

1) Vgl. S. Behr, „Der Bevölkerungsrückgang der deutschen Juden", 1932, blz. 12'

2) „Metron", Revue Internationale de Statistique, 1926, blz. 80.

3) „Die Juden der Gegenwart", I, blz. 239.

Sluiten