Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 4.

Aan den belastingplichtige, die in den loop van eenig jaar de Provincie Oost-Java metterwoon verlaat en zich elders binnen Nederlandsch-Indië vestigt, wordt door den Inspecteur van Financiën, Hoofd der Inspectie, binnen wiens ressort de aanslag is vastgesteld, ontheffing verleend van de opcenten op de hoofdsom van zijn aanslag in de Landsinkomstenbelasting, berekend over de op het tijdstip van vertrek nog niet ingetreden maanden van het belastingjaar.

Artikel 5.

De vordering tot betaling van opcenten op de Verponding en van de boeten, beloopen terzake van niet-tijdige voldoening dier opcenten, verjaart tegelijkertijd met de vordering tot betaling van de hoofdsom der belasting, waarop die opcenten worden geheven.

Artikel 6.

(1) Deze verordening kan worden aangehaald als ,,Opcentenverordening Provincie Oost-Java".

(2) Zij treedt in werking met ingang van 1 Januari 1933, met dien verstande dat de opcenten voor de eerste maal worden geheven op de hoofdsommen van de aanslagen in de Landsinkomstenbelasting en in de Personeele Belasting over het belasting jaar 1933 en in de Verponding over het jaar 1933 van het tijdvak 1933—1937.

(3) Met ingang van dien datum vervalt de „Opcentenverordening Oost-Java" van 13 Augustus 1929, afgekondigd in het Bijvoegsel van het Provinciaal Blad van 5 Januari 1930, Serie A No. 1, gewijzigd bij verordening van 29 December 1930, afgekondigd in het Bijvoegsel van het Provinciaal Blad van 14 April 1931, Serie A No. 4 en bij verordening van 19 December 1931, afgekondigd in het Bijvoegsel van het Provinciaal Blad van 5 Februari 1932, Serie A No. 2, behoudens ten aanzien van de jaren, voorafgaande aan het jaar 1933.

Soerabaja, 14 September 1932.

De Gouverneur van de Provincie Oost-Java, G. II. de Man.

Sluiten