Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 9.

(1) Indien eenig feit grond oplevert voor het vermoeden, dat een te lage aanslag is opgelegd ol dat een aanslag ten onrechte is achterwege gebleven, kan de te weinig geheven belasting worden nagevorderd, zoolang niet sedert den aanvang van het belastingjaar drie jaren zijn verstreken.

(2) Ingeval van navordering als bedoeld in lid (1) van dit artikel wordt het nagevorderd bedrag met zijn enkelvoud verhoogd.

Artikel 10.

(1) De belasting is vorderbaar in vier gelijke termijnen.

(2) De verschijndagen zijn 1 Maart, 1 Juni, 1 September en 1 December.

(3) Heeft de uitreiking van het aanslagbiljet plaats :

a. na den eersten verschijndag, dan is de belasting vorderbaar in zooveel gelijke termijnen, als er verschijndagen overblijven;

b. na den laatsten verschijndag, dan is de belasting ineens invorderbaar. De verschijndag is dan de eerste dag der maand, volgende op die, waarin het aanslagbiljet is uitgereikt.

(-J.) [B.P.B. 1931, Serie A No. 6; i.w.g. 10 Mei 1931*)]. Bij niet betaling binnen een maand na de verschijndagen wordt de aanslag verhoogd met vijl ten honderd van het verschenen bedrag.

Artikel 11.

(1) Voor de belasting, verschuldigd door een minderjarige, onder curateele gestelde, krankzinnige of afwezige, is ook diens wettelijke vertegenwoordiger aansprakelijk, alsof deze zelf was aangeslagen.

(2) Woont die vertegenwoordiger buiten NederlandschIndic, dan is de gemachtigde of elke andere persoon, die hier te lande voor den minderjarige, onder curateele gestelde, krankzinnige of afwezige optreedt, op gelijke wijze aansprakelijk.

*) Terugwerkende kracht tot ] Januari 1031 met dien verstande, dat het gewijzigde voorschrift voor het eerst van toepassing is geweest op aanslagen over het belastingjaar 1931.

Sluiten