Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

derd, zoolang niet sedert den aanvang van het belastingjaar drie

jaren zijn verstreken.

(2) Door de oplegging van een aanslag met toepassing van het eerste lid van dit artikel vervalt niet het recht van navordering met inachtneming van het eerste lid van dit artikel voor de belasting, welke daarna nog te weinig mocht zijn geheven.

Artikel 10.

(1) De aanslag kan worden verhoogd:

a. met tien ten honderd, indien een aangifte niet binnen den daarvoor gestelden termijn is gedaan;

b. met vijftig ten honderd, zoo de verschuldigde belasting meer bedraagt dan volgens de gedane aangifte verschuldigd zou zijn, onverminderd de verhooging bedoeld sub a,

c. met honderd ten honderd in geval van navordering.

(2) De verhooging, bedoeld sub a van dit artikel, kan niet meer bedragen dan f 100.—.

Artikal 11.

(1) De belasting is ineens invorderbaar.

(2) De verschijndag is de eerste dag der maand, volgende op die, waarin het aanslagbiljet is uitgereikt.

(3) [B.P.B. 1931, Serie A No. 6; i.w.g. 10 Mei 1931 *)]. Bij niet betaling binnen een maand na den verschijndag wordt de aanslag verhoogd met vijf ten honderd van het verschuldigde bedrag.

Artikel 12.

De modellen der aangiftebiljetten, kohieren en aanslagbiljetten worden vastgesteld door het College van (ledeputeerden.

Artikel 12a.

[B.P.B. 1935, Serie A No. 8; i.w.g. 2 Juni 1935**)].

Het College van Gedeputeerden van den Provincialen Raad van Oost-Java kan in bijzondere gevallen, waarin de toepassing van de voorgaande bepalingen strijdig was of zou zijn met het algemeen belang of tot grove onbillijkheid heeft geleid of zou lei-

*) Terugwerkende kracht tot 1 Januari 1931 met dien verstande, dat dit gewijzigde voorschrift voor het eerst van toepassing is geweest op

aanslagen over het belastingjaar 1931.

**) Terugwerkende kracht tot 1 Januari 1935 met dien verstande, dat dit gewijzigde voorschrift voor het _eerst van toepassing is geweest op aanslagen over het belastingjaar 1935.

Sluiten