Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3e. moet het schoonbranden beginnen van de zijde van het terrein, welke grenst aan de onder le bedoelde gezuiverde strook gronds;

4e. moet, zoolang het vuur brandt of smeult, voortdurend

voldoende toezicht worden uitgeoefend;

B. bij het aanleggen van vuur anders dan ter zuivering van het terrein:

le. moet rondom het vuur een strook gronds van ten minste 5 m breedte geheel gezuiverd worden van brandbaar materiaal;

*2e. moet het vuur voortdurend goed bewaakt worden;

3e. moet het vuur in elk geval ten minste 30 m van de boschgrens verwijderd zijn;

IV. binnen 's Lands bosschen en daarbuiten, binnen 30 m van de boschgrens, licht brandbare stoffen op te stapelen, tenzij—in het laatste geval —met voorkennis van het beheerspersoneel van het Boschwezen, dan wel, bij afwezigheid van dit personeel, met voorkennis van de door den Gouverneur daartoe aangewezen ambtenaren,

V. gesneden, gekapte of verzamelde boschvoortbrengselen, gras of ander veevoeder of strooisel binnen 's Lands bosschen te drogen te leggen.

HOOFDSTUK VI.

Verdere boschbescherming.

Artikel 10

[B.P.B. 1934, Serie A No. 9; i.w.g. 28 September 1934]. Het is verboden om zich, zonder vergunning van het beheerspersoneel, de mantri's-politie bij het Boschwezen en de boschwachters met kap-, snij-, hak- of trekwerktuigen, andere dan grasmessen, te bevinden binnen de grenzen der in stand te houden bosschen, tenzij op voor het openbaar verkeer opengestelde wegen, paden en sleuven.

Artikel 11.

Het is verboden door afdamming, afsluiting van riviertjes, geulen of ravijnen, of op eenige ander wijze, boschgedeclten onder water te zetten, tenzij daarvoor van den betrokken boschbeheerder vergunning is verkregen.

Sluiten