Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GOEDE VRIJDAG

10 APRIL 1936.

Toen zei Pilatus tot hem: „Hoort gij niet, Koevele zaken zij tegen U getuigen”

Matth. 27 :13.

Toen ik 20 Maart 1934 het Zutphensche Krankzinnigengesticht verliet, om onder geleide van twee verplegers mijn nieuwe bestemming Meerenberg bij Santpoort te volgen, was ik meer dan ooit overtuigd, dat de bedrijvers of althans de bewerkers van mijn interneering waren geweest de officier van Justitie Mr. Stam en de burgemeester van Vorden W. C. Arriëns.

De indrukken van dien tocht door het land zullen mij onvergetelijk blijven. Jarenlang had ik Generale-Stafdienst gedaan en tien jaren leeraarschap aan de Hoogere Krijgsschool achter mij. Als geestelijk insolvent en gevaarlijk voor mijn omgeving werd ik door het land gevoerd, als slachtoffer van domheidsmacht, kliekgeest en eigenbelang, de drie machten, die eerst het gezin van den landarbeider Boeijink hadden dakloos gemaakt. In Zutphen had de arme boer mij niet mogen bezoeken. Wie zou nu voor de stakkers zorgen? Ik had de verschrikkelijke herinnering voor oogen van de dagen van de uitzetting, die mij met afkeer hadden vervuld van den Larenschen burgemeester e tutti quanti, die de officier van Justitie W. Stam, eens zoo treffend, tot Boeijink sprekende, „schoften” had genoemd.

Vreeselijk was de tocht door Amsterdam, waar ik als kind was geweest, met duizenderlei herinneringen aan het ouderlijk huis; waar ik op de H.B.S. had geleerd; waar ik als jong luitenant mijn eerste garnizoen kreeg en werd beëedigd. Het was of al wat mij dierbaar was in het verleden en nog in het heden van mij werd genomen. Telkens gleden de oogen

Sluiten