Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zoo van een mij bekenden zenuwarts. Hij raadde mij om de procedure onverwijld te staken, doch tot eiken prjjs zijn naam niet te noemen. Het meest typeerende was dr. Querido uit Amsterdam. Ik zou, volgens hem, onmiddellijk de procedure staken. Het hielp me toch niets. Dr. Schnitzler zei eenvoudig: „U is gek en dan zeggen wij dat ook”.

Den avond voor den aanvang der mondelinge pleidooien kreeg ik bezoek van mjjn rechtskundigen raadsman en den zenuwarts. Zij drongen mij erop aan niet te gaan. Dr. Schnitzler zou trachten mij te doen losbarsten en mij dan als levend bewijsmateriaal gebruiken. Ik begreep de noodzaak, omdat dr. Schnitzler al zoo deerlijk had gedraaid in de schriftelijke stukken. Hij stond immers tegenover de publieke opinie, uitermate zwak. Hoe schitterend had zij niet voldaan aan mijn oproep; vermoedelijk verontwaardigd door de beestachtige wijze, waarop ik was „opgeruimd” geworden. Voor velen was het interneeringsrapport volkomen weêrlegd en was ik geheel gerehabiliteerd. Doch ik procedeerde niet voor mezelf. Ik wilde de andere menschen beschermen en Schnitzler tot onmacht brengen. Zoo iets mocht nooit meer herhaald worden, bedoelde ik. Stam en Arriëns konden niet langer geduld worden in den kring van gezagoefenende autoriteiten en Schnitzler moest voorgoed worden geweerd uit de rechterlijke kringen.

Weet men wel wat het beduidt geintemeerd te worden in een gekkenhuis? Weet W. C. Arriëns, hoe laag hij zinkt, als hjj op zijn jachtpartij van iemand, die geleefd heeft voor zijn land en leger waagt te zeggen — natuurlijk in den vorm van ruggeklap — „die vent is gek, die vent moet hier weg”.

Eén van de redenen om te procedeeren, was te weten, hoe Schnitzler zich zou redden uit die tegenstelling, psychiatrie en publieke opinie. Leugens en de hulp van Mr. Stam van het openbaar ministerie zouden redding brengen. Het laatste stuk van den „bekwamen en voorzichtigen” dr. deed al zien, dat hier overleg, samenwerking bestond tusschen Schnitzler en Stam.

Ik had met waandenkbeelden rondgeloopen, dat er op het kantoor van een notaris (Everwijn) zou zijn geknoeid. Die meening bestaat middelerwijl nog bij Boejjink en bij mij. Het was ons vaste voornemen daarover te zwijgen en de zaak

Sluiten