Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Boejjink voor goed gesloten te verklaren; doch nu men mij van waandenkbeelden gaat betichten, past verweer.

Het schandelijkste is de volgende leugen door dr. Schnitzler in de procedure gebracht:

„Eischer (dat was ik) had het laatste gedeelte van de zaak Boeijink „afgespeeld” op den rug van den armen landarbeider, diens ondergang veroorzaakt en hem door een emotioneelen oproep in een zeker deel der pers doen redden”.

Daar stond het feitelijk: Tonnet heeft Boeijink misleid en daarna de publieke opinie.

Zoo schreef dr. Schnitzler, die mij, vermoedelijk met behulp van Mr. Stam als „querulant” moest doen uitkomen, om zijn interneeringsrapport te staven en het proces te winnen.

Bij de mondelinge pleidooien werden de leugens nog manifester. Had Mr. Stam (zie blz. 3) in 1932 tegen Boeijink gezegd: „Ja B., het zijn schoften”, thans werd een leugen gewaagd om dit ongezegd te verklaren. Zich wendende tot den president zei dr. Schnitzler — volgens toehoorders, die het hebben verstaan — en nog wel in het bijzijn van Mr. Stam: „zoo iets bestaat toch niet, dat komt niet voor, dat een officier zoo iets zegt. Is het niet mijnheer de president?”

Hoe ter wereld durft een psychiater, die het volle vertrouwen heeft zelfs den president van de Rechtbank, nog wel met medeweten van een officier in zijn leugens te betrekken?

De Arnhemsche Rechtbank heeft zelf zeer wel gevoeld, dat Schnitzler geen goed begrip van zjjn verantwoordelijkheid had, die hij op allerlei wijze op derden had af gewenteld. Het antwoord aan Schnitzler in de voorloopige uitspraak van Mei 1935 klonk zoo bits, dat de publieke opinie volkomen gederouteerd was. Ik ontving van allerlei zijden gelukwenschen met mijn succes. Zelfs... dr. Querido stuurde me een harteljjken gelukwensch!

Doch toen de Rechtbank had laten volgen, dat zij ten slotte niet kon beantwoorden, in hoeverre dr. Schnitzler ook als psychiater verkeerd had gedaan, hadden mijn advocaat, mijn zenuwarts en ik zelf de bedoeling dra gepeild. Door de aanwijzing van de drie Utrechtsche deskundigen werd ik overgelaten aan den psychiatrischen kring. Mijn zenuwarts heeft van toen af, welhaast elke hoop doen varen. Op een mooien

Sluiten