Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Junidag bracht hij den bekenden Keulschen professor Aschaffenburg in ons kleine huisje binnen. Beschaafd, geestvol mensch mèt diep menscheljjk gevoel, met een ziel, waar ik Schnitzler steeds den psychiater zonder psyché zal blijven noemen. Het was een weldaad die stem te hooren, zijn zoekend oog over je te zien glijden. De verbazing van den grooten geleerde, dat dr. Schnitzler niet met mij gesproken had, was grenzeloos. Telkens klonk zijn vriendelijke stem „und auch dann hat er Sie nichts gefragt”. Onveranderlijk klonk dan mijn antwoord. „Ik moest opgeruimd worden. Voila tout”.

Het „Gutachten” van den geleerden Professor was in alle opzichten een ontkenning van de meening van dr. Schnitzler. Het begon met een beschrijving van mijn persoon. Na het verschijnen heb ik volhard voor me zelf het optreden van dr. Schnitzler, niet alleen lichtvaardig, maar schuldig te noemen.

Mijn zenuwarts was verrukt. Hij schreef me, 20 Juli 1935, „Ik moet u zeggen, dat het rapport schitterend is: In vorm en opzet zoo eenvoudig, scherp en „afdoende”. Ik zou niet graag willen, dat iemand met zijn autoriteit zoo’n oordeel over mij zou vellen, als prof. A. over collega S. doet”.

„Dit rapport is, dunkt mij, niet te negeeren, noch door de drie arbiters, noch door de rechtbank.

„Op zich zef is het bovendien uitgesproken door een man van de wetenschappelijke „standing” van Aschaffenburg en bovendien met diens objectiviteit en gematigdheid voor U een „rehabilitatie”, zooals zich geen betere denken laat.”

„U weet, dat mijn opinie reeds geheel een zoodanige was, maar ik bezit nu eenmaal niet de autoriteit die A. heeft. Voor mij is het echter ook een groote voldoening, dat zijn rapport een absolute bevestiging is van mijn zienswijze.”

Hoewel ik meer en meer versterkt werd in mijn meening, dat ik slachtoffer werd van een soort chantage, nam mijn vertrouwen op den goeden afloop niet het minst toe. Daarvoor zorgde voortdurend mijn zenuwarts.

Eenige maanden, nadat de edele en geleerde Aschaffenburg mij had gerehabiliteerd, verschenen de drie deskundigen met hun rapport, waarvan een Amhemsche „iemand” typeerend moet gezegd hebben „plus Schnitzler que Schn. lui-même’.

Sluiten