Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE SINT PIETERSBERG

DOOR Ir. D. C. VAN SCHAIK.

De belangstelling, welke ik, uitgaande van mijn werk in het noordelijk gangenstelsel van den.Sint Pietersberg, voor zijn geheele ondergrondsche wereld en zijn geschiedenis heb gekregen, is een van de oorzaken, die mij tot de samenstelling van dit boek hebben geleid. Mijn later in Parijs verrichte archiefonderzoekingen hebben die belangstelling ten zeerste gaande gehouden en aangewakkerd en mij telkens weer gevoerd in die verlaten oneindigheid, waarin mij toen de korte jaren van mijn werkzaamheid een groot stuk van mijn leven toeschenen. Mijn af en toe gegeven beschrijvingen, bijna uitsluitend over de noordelijke gangen, hebben mij steeds weer opnieuw in dien tijd verplaatst en terug doen denken aan al datgene, waardoor de berg met zijn somberen inhoud mij lief geworden was. Maar daarnaast heeft toch wel mijn zeer bijzondere belangstelling voor het natuurleven in Zuid-Limburg, die één was met mijn aanhankelijkheid aan het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg, mij aangezet om tot een, op verschillend gebied zooveel mogelijk omvattende beschrijving van den Sint Pietersberg te geraken. Dat ik daarbij een zoo spontane én welwillende medewerking van deskundigen op verschillend gebied heb mogen ondervinden, heeft mij de samenstelling wel heel gemakkelijk gemaakt.

Bijzonder erkentelijk ben ik voor het woord vooraf van den heer Commissaris der Koningin.

Dat Rector C remers den lezer heeft willen inleiden tot hetgeen wij, ieder van ons met de liefde voor zijn eigen gebied, meenden te moeten geven, heeft ons bij het werk nog meer doen gevoelen, dat wij leden van „ons Genootschap” zijn!

Er is iets in het Zuid-Limburgsche landschap, dat direct ons hart weet te veroveren, er is ook iets in, waarvan men, wanneer men niet in dit zonnige zuiden is geboren en gétogen, moet leeren houden. De St. Pietersberg heeft, vooral tegenwoordig, veel van dit laatste m zich>' hij geeft zich niet ineens, maar eischt van ons te leeren zien, wat hij. te bieden heeft. Dat dit nog zoo omvangrijk en veel is, moge hen, die hem eigenlijk alleen maar als een te doode opgeschreven merkwaardigheid uit het verleden beschouwen, doen inzien, dat het nu meer dan ooit zin heeft om onze belangstelling er op te richten. Moge dan ook dit boek er iets toe bijdragen om de berg

Sluiten