Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boengelen; de vroegkerk is uit. Nu is het ook uit met de stemmige stilte van den Paaschmorgen. Onder mij, in de verte, aan den kant van de kazerne, zie ik toebereidselen maken voor een voetbalspel; de menschen stroomen de stad uit naar den berg en naar de dorpen in de buurt; en uit de dorpen trekt de jeugd naar de stad.

Jolig rumoerig wordt het; mij wat al te druk. Om in rust en stilte te kunnen genieten van deze mooie natuur, ben ik naar hier gereisd. Nu het mij op den berg te vol wordt, zak ik liever af naar het Jekerdal, daar zie ik nog geen menschen. Langs de Maas en het kanaal raakt het vol met fietsers en auto’s.

Dat is ook een mooie vallei, die vallei van de Jeker, of van de Geer, zooals de Belgen zeggen, net zoo mooi, dunkt mij, als het „Geuldal”; wat smaller nog en met even mooie rotspartijen en meanders van het stroompje.

Van hier uit is ook de St. Pietersberg heel mooi van lijn; eigenlijk is hij hier beter te zien dan ergens anders. Aan de linkerzij van de Maas is men er te dicht bij, en aan de overzijde, van Gronsveld tot Eijsden, te ver af, om zonder kijker details te onderscheiden.

De ingangen voor de bezoekers van de onderaardsche gangen liggen niet aan dezen Jekerkant. Wel zijn er verscheidene groote, zwarte poorten, allemaal verlaten groeven die prijken met „Verboden toegang”. Toch doen ze heel mooi in het zonnig landschap, die donkere grotten; zwarte poorten in den lichten steen, die zelf een witte teekening geeft in het groene landschap.

Heelemaal alleen ben ik in het Jekerdal niet; op weg naar Canne zie ik van verre een viertal mannen of jongens van tijd tot tijd iets zoeken in de struiken langs den weg. Collega’s plantenvrienden, dacht ik; misschien wel jongelui van de kweekscholen, die examen moeten doen en nu met den leeraar botaniseeren, of anders leden van het Nat. Hist. Genootschap in Limburg.

Ik vlug er op af; zoo heel vaak tref je buiten geen natuurvrienden; in een vreemde streek kan u een inboorling altijd nuttig zijn voor het aanwijzen van rijke plekjes; aangenaam is het dus in elk geval, al is het alleen maar voor een praatje over de natuur van de streek.

Dichterbij gekomen matigde ik mijn pas al wat; ik zag dat de jongelui hun vondsten niet in een plantenbus stopten, maar in een saamgeknoopten zakdoek. Paddestoelen? Daar is het de tijd niet voor! Ja, morieljes, dat kon; maar die liggen toch in de bermen langs de Jeker ook niet zóó voor het oprapen, dat je er elke drie minuten één in je zak steekt! Toch waren de vier jonge mannen, al bleken het noch

Sluiten