Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Evenals alle Limburgers, waren de slakkenzoekers van de Jeker vriendelijk voor vreemdelingen en gul met een praatje. Zij beweerden, dat er een dag te voren nog geen te vinden waren; de skargotten kwamen altijd met den eersten warmen dag in April uit hun winterherbergen, hun schuilplaatsjes in holle boomen en onder steenen te voorschijn. Vind je er één, vind je er tien.

En juist dan moet je ze inzamelen. Als zij nog haast geen groen hebben geproefd, smaken ze nog lekkerder dan het fijnste kalfsvleesch; later, als zij veel groen hebben gegeten, krijgen ze een bitteren bijsmaak.

Met genoegen werd mij een recept voor het bereiden cadeau gedaan. Eerst gaan ze in zwak zout water, een beetje lauw; dan trekt het dier zich terug, zoo ver mogelijk, het perst daartoe al zijn vocht en slijm uit zijn lijf.

Dat is noodig anders bederven ze spoedig. Daarna wordt het dier weer in zuiver water gebracht en nu kruipt het weer uit zijn schulp. Weer een zoutbad! Totdat het geen schuim of slijm meer afgeeft. Dan gaat het in kokend water, waarbij het bijna of geheel loslaat uit het slakkenhuis, het dier wordt nu gereinigd van het gestolde slijm, dat er nog mocht aankleven. Daarna wordt hij al of niet weer in het inmiddels uitgekookt huisje gestopt; nog eens even opgekookt, met wat azijn of citroen overgoten, of met fijn zout en peterselie besprenkeld; en opgepeuzeld. „Om bij te brommen van genot, mijnheer! Ge kent zoo iets delikaats niet”.

* * *

„U heeft het mooiste gedeelte van de wandeling in het Jekerdal juist niet gedaan, zoo schreef mij Zaterdagavond een Limburger. U had door moeten loopen tot dicht bij Eben, daar is het Jekerdal het schoonst”.

Mijn Limburger was wat voorbarig geweest; ik was nog niet klaar met mijn Jekerwandeling. Want ik ben veel verder gegaan dan den weg, dien ik de vorige week heb genoemd. Wel heeft mijn zegsman gelijk: het gedeelte van het dal voorbij Canne is werkelijk heel mooi. In de eerste plaats voor den planten- en vogelvriend. Die zal er heele velden opmerken geel van primula’s en donkergroen van herfsttijloozen, en plekken letterlijk blauw van de bosch-viooltjes. Ook een maretak hier en daar in een populier is altijd het opmerken waard, al is het maar als bewijs, dat we nog op ouden krijtgrond wandelen.

Sluiten