Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en België grenzen, vlak boven Petit-Lanaye; de andere is een klein voetpad, dat aan de overzij van de chaussee juist midden tusschen de beide café’s op de bocht, opstijgt tegen den berg.

Als ge dat paadje kiest, zult ge u niet beklagen. Ge hebt al dadelijk een mooi gezicht over den pas afgelegden weg, en ge ziet nu alle drie kerktorentjes tegelijk boven de kersebloesems uitsteken; de noordelijke hellingen van het dal zijn van daar af beboscht; maar tusschen de nog zeer ijle boomkruinen door, ziet ge de auto’s opkruipen tegen de witte serpentines van den weg naar Visé en Tongeren.

Volgt ge het opgegeven wegje, dan zijt ge in een paar minuten boven op den St. Pietersberg en wel aan zijn zuidelijk uiteinde.

Nog maar heel weinig stijgt de weg, tusschen sparren door; ge ziet over het uitgestrekt plateau naar het noorden de torens van Maastricht, waar de St. Servaas en de St. Jan, broederlijk bijeen, staan als altijd.

De bovenvlakte van den St. Pietersberg is hier één groot bouwland; het slingerpad brengt<5 er in zuid-oostelijke richting in een kwartiertje overheen. En dan, lezer, die deze wandeling binnenkort eens doen zult, dan hoop ik voor u, dat ge, al is het dan niet zóó onverwacht, even opgetogen zult zijn; als ik op dien mooien Paaschmorgen, over het uitzicht dat ge te genieten krijgt, daar op den zuid-rand van den St. Pietersberg.

Wij bewoners van het effen land zijn niet verwend op dat punt; wij hebben zoo weinig gelegenheid onze woonplaatsen uit de hoogte te bekijken, of het moest van een toren of een belvedère zijn, en dat is toch het ware niet. Ik ken in ’t Noorden van ons land — behalve aan den duinkant zooals de Blinkerts bij Schoorl, het kopje bij Bloemendaal en de Papenberg bij Castricum maar weinig toppen, waar de levende kaart van het land voor de voeten ligt. Het Lazarusbergje bij Soest en de Hondsrug bij Gieten, nog een paar plekjes aan den Rijn en in het Geuldal, daaraan denk ik altijd met genoegen, als ik mij de mooiste plekjes van ons land voor oogen breng. Maar geen enkel haalt er bij het verrassend vergezicht op en over den Maas, dat ge opeens voor u krijgt, indien ge van Eben aan de Jeker dwars over den berg naar het zuid-oosten loopt, tot ge aan den Maaskant vlak boven den steilen rand van den berg staat.

Maas op tot voorbij Visé, Maas af tot ver voorbij Eijsden, ziet ge de rivier en het kanaal. Letterlijk onder uw voeten schutten de booten in de Zuid-Willemsvaart; tusschen het Kanaal en de Maas schuiven de auto’s en rollen de fietsen er in menigte, en op de stroom

Sluiten