Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij schrijft, bij gebrek aan beter, totdat iemand een vollediger plan zal opmaken, hetgeen volgens hem niet spoedig te wachten zal zijn. Noch Pasteur, noch F a u j a s zijn dus op de hoogte geweest van de mooie en nauwkeurige plattegrond, welke de Fransche officieren in 1796 hadden gemaakt.

De Fransche teekeningen, waarvan de afschriften in de Maastrichtsche archieven berusten, kwamen mij, zooals reeds gezegd, in 1929 onder oogen toen ik, in verband met den tunnelbouw, genoodzaakt was om nader met de onderaardsche gangen kennis te maken.

De N.V. Kalmergel-Mij. „St. Pietersberg”, welke sedert een twintigtal jaren aan de westzijde van den berg een mergelgroeve exploiteert, had in 1927 concessie verworven voor het maken van een tunnel onder de rijksterreinen en de gemeentelijke wegen door; deze tunnel zou moeten dienen als transportweg om de kalkmergel te vervoeren naar de schepen in het kanaal Luik-Maastricht.

Toen mij daarna werd opgedragen om een plan voor deze tunnel uit te werken, was de aanvankelijke gedachte om zooveel mogelijk gebruik te maken van de bestaande onderaardsche gangen en aan de oosthelling van den berg, onder de leem-, kiezel- en zandlagen door, een betontunnel te bouwen, welke tot aan het vaste mergelgesteente zou leiden en dan daarin verder een gang te drijven, teneinde zoodoende den toegang tot de onderaardsche rangen te ontsluiten.

Doordat een groot aantal gangen niet meer begaanbaar was, in overeenstemming met de aanduidingen op de teekeningen en als gevolg van de instortingen, welke in het begin van de negentiende eeuw plaats gehad hadden, was het niet mogelijk om dadelijk vast te stellen of men inderdaad van de gangen gebruik zou kunnen maken om dwars door den berg heen te komen. De op de teekeningen aangegeven versperde gangen bleken alle op de aangeduide plaatsen door instortingen ontoegankelijk te zijn en het was alsof een instortingsgordel een daarachter gelegen gebied afsloot. Het was dus zaak om te trachten achter dezen gordel in de sinds het begin van de vorige eeuw afgesloten en onbekende gangen te komen.

Teneinde een onderzoek daarnaar met vrucht uit te voeren, was er maar één weg, namelijk die van de praktijk, om met den onderaardschen Sint Pietersberg grondig nader kennis te gaan maken en zooveel mogelijk in het wezen en in de eigenaardigheden van de onderaardsche gangen door te dringen. Dit was een wat uitvoerige opgave, wanneer men eerst korten tijd tevoren voor het eerst het

Sluiten