Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de onderaardsche gangen. De verbinding daarmede is echter afgesloten met het oog op het gevaarlijke gedeelte, dat zich tusschen dit punt en den ingang C bevindt. Door dezen ingang is het gedeelte I der gangen zonder gevaar toegankelijk, voor de bezichtiging, waarvan men aan den Luikerweg, tegenover het fort, in het Pavillioen „Bergrust” vertrouwde gidsen vindt. Daar ter plaatse was voor een paar honderd jaar ook een ingang, welke echter sindsdien gesloten en dichtgespoeld is. De mogelijkheid bestaat om deze in de richting van den pijl G weer vrij te maken, waardoor dan de onderaardsche gangen nog gemakkelijker en dichter bij de stad betreden zouden kunnen worden.

Ook door de beide tunnelingangen D en E kan het noordelijk gangenstelsel worden bereikt; deze toegangen behooren echter tot het bedrijf van de Kalkmergel-Mij. „St. Pietersberg”.

De noordelijke gangen, welke op zichzelf slechts een klein gedeelte van het geheele gangendoolhof van den St. Pietersberg vormen, bieden een groote verscheidenheid aan vormen; men krijgt er een voldoenden indruk van deze onderaardsche wereld, welke zich zeker over een gebied, vijfmaal zoo groot als het gedeelte, dat op den plattegrond is aangegeven, uitstrekt.

Allereerst komt men door vrij lage gangen en wordt men getroffen door de vele dwarsgangen, waarvan de vloeren meestal veel lager liggen, zoodat men in sombere afgronden kijkt. Vanaf den ingang heeft men vroeger de wegen voor de karren geleidelijk in de diepere gangen moeten doen overgaan. Aanvankelijk ziet men dus het plafond dichtbij en wanneer men het licht hierop richt, ziet men op verschillende plaatsen duidelijk de vele schelpen, welke de oorspronkelijke zeeformatie doen herkennen. Men ziet er ook de schuilplaatsen der vleermuizen (kleine myotis-soorten), welke hier hun winterslaap houden. Naarmate men meer naar het westen doordringt, ziet men aan de wanden der kolommen de vele beschadigingen, door de ontploffingen in den Franschen tijd teweeggebracht; op een plaats, waar men een geheele kolom heeft weggeschoten, heeft zich een hoog en breed gewelf gevormd, de zgn. „Koepelgrot”. Men ziet hierin niets dan grillige vormen, waaraan niets meer van de oorspronkelijke rechthoekige gangen is te herkennen. Fantastisch doet hier de verlichting aan, vooral wanneer deze met rood bengaalsch vuur wordt teweeggebracht. Van de vroegere gangen rondom is niets meer te zien dan de sombere zwarte openingen, welke in alle richtingen als geheimzinnige donkere spelonken gapen. Een dergelijke ruimte heeft aan

Sluiten