Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

men hier met een doorsnede van den St. Pietersberg te doen heeft, waaraan men allerlei bijzonderheden kan ontkenen. Vermoedelijk heeft B o r y ook hiernaar wel zijn Zeer mooie en duidelijke teekening gemaakt, waarin hij zoo’n doorsnede te zien geeft.

B o r y beschouwt deze gangen, welke in het begin van de negentiende eeuw door den toenmaligen bezitter van het kasteel Caestert werden vrijgelegd, als de oudste van den geheelen berg. Doordat de kolommen, die een buitengewone hoogte hebben, tot vijftien meter, over de geheele hoogte ongeveer eenzelfde bewerkingswijze vertoonen, neemt hij aan, dat deze gangen ineens over hun volle hoogte werden gemaakt. De oude bewerkingswijze van het plafond en het feit, dat de hier uitgezaagde blokken een veel grootere afmeting hebben gehad dan in de andere gedeelten van den St. Pietersberg, duiden er volgens hem op, dat we hier ontegenzeggelijk met gangen van Romeinschen oorsprong hebben te doen. Ook de randen, welke men rondom de kolommen, blijkbaar ter versterking, tegen het plafond heeft laten zitten, gaven hem deze gedachte in. Tenslotte vermeldt hij de vondst van beeldhouwwerk aan een der ingangen, dat door de verweering in den loop der tijden niet zoo direct was waar te nemen.

Intusschen vormen deze gangen, ten zuiden van de Caestert, slechts een betrekkelijk klein gangenstelsel, dat met de gangen onder en ten noorden van het kasteel geen verbinding heeft. Waar de laatste, althans direct achter Slavante, ongeveer dezelfde kenmerken vertoonen wat de wijze van bewerking betreft, ben ik van meening dat ook daar de oudste gangen uit den Romeinschen tijd dateeren.

Ook de bewerkingswijze der plafonds vertoont in deze oudste gangen een eenigszins ander uiterlijk dan in de later gemaakte gangen. Teneinde de eerste steenen hoog tegen het plafond te kunnen wegzagen, moet men eerst beginnen met het maken van een sleuf, waarin als het ware het plafond werd verlengd. Vroeger geschiedde dit steeds met het houweel, waarmede een ronde slag gemaakt werd, terwijl later gebruik gemaakt werd van beitels, welke een rechte snede maken.

De omstandigheid, dat even ten zuiden van Caestert de onderaardsche gangen ophouden, bewijst, dat men ondergronds nooit verder zuidwaarts heeft kunnen doordringen, zoodat de wel eens verkondigde meening, dat men onder den grond door van Maastricht naar Luik kon komen, onjuist is. Bij het graven van het Albert-kanaal heeft men dan ook nergens een dergelijke verbinding aangetroffen.

Sluiten