Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geweest is om vanaf den St. Pietersberg op het moerassige Carboonwoud van het voorland neer te zien.

Na de afzetting van een groot aantal, nagenoeg horizontaal liggende lagen plantenmateriaal (de latere kolenlagen) in een gesteenteserie van plaatselijk thans nog ruim 3000 m dikte, werden deze lagen door druk uit zuidelijke richting geplooid. Het Massief van Brabant, en dus ook het St. Pietersberg-gebied, werkte hierbij als bufferblok, waartegen de zuidelijke laagpakketten werden opgeschoven. Tot hoever deze opgeschoven gesteente-serien eenmaal gekomen zijn, is niet bekend. Door latere erosie is een groot gedeelte weggenomen. De resten van deze overschuivings-dekbladen reiken thans nog tot de lijn Luik-Aken. In Maastricht en omgeving vindt men de erosieproducten in den vorm van sterk gebroken en vergruisde carbonische gesteentebrokjes in den ondergrond. In de boring van de Tregabron werden zij aangetroffen ter dikte van ruim i27m, terwijl de basis nog niet bereikt was. Deze intensieve erosie móet hebben plaats gehad gedurende den langen tijd, die ligt tusschen de Carboonvorming en de afzetting van het Senone Krijt.

Hoe de situatie hier gedurende het geheele Perm, de Trias, de Jura en het Oudere Krijt geweest is, is moeilijker te zeggen. Waarschijnlijk was het Maastrichtsche gebied gedurende het grootste deel dier tijden vast land. Gesteenten uit den Perm-Trias-tijd zijn thans alleen nog aanwezig op de boogvormige lijn van Rothem (België)Jabeek-Nideggen-Malmedy. Hoe ver zij in den binnenboog in de richting Maastricht aanwezig geweest zijn, is niet te zeggen. Men mag op verschillende gronden echter wel onderstellen, dat hunne verbreiding in westelijke richting eenmaal grooter geweest is. De dichtst nabij Maastricht gelegen Jura-afzettingen werden in het Noorden gevonden in een boring bij Neeroeteren (België), in het Oosten bij Drove (Z.O. van Düren) en in het Zuiden in Luxemburg. Het vinden van een Dogger-amoniet in het Groenzand van Vaals (lit. 22 en 49) wijst er echter op, dat er eens Jura binnen dezen boog aanwezig geweest is. Omtrent de verbreiding, in ons gebied, kan echter niets positiefs medegedeeld worden.

Van het oudere Krijt is hier nergens een spoor gevonden. Men mag dus wel aannemen, dat het in deze omgeving nergens aanwezig geweest is.

Alles pleit dus voor het aannemen van een vast land, in het onderhavige gebied, gedurende lange tijden. Dat dit vaste land aan sterke erosie heeft blootgestaan, kan men afleiden uit de groote hoe-

Sluiten