Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In het zand liggen plaatselijk veel ingespoelde fossiele schelpen.

In de Hervien-zee kwamen in hoofdzaak glauconietzand en kleiig glauconiet-zand (argilliet) tot afzetting, vanzelfsprekend gemengd met tal van schelpresten. In enkele gedeelten schijnen de kalkschalen bezittende dieren zoo talrijk geweest te zijn, dat uit hunne resten zandige kalksteeneh konden opgebouwd worden. Sommige lagen zijn doortrokken met sporen van een gravende mariene fauna. Deze sporen zijn onder den naam Gyrolithen bekend. Debey (lit. 12) heeft voor deze graafsporen-zönes den naam Gyrolithengroenzand ingevoerd. Deze graafsporen bevinden zich in de jongste lagen van het Herviën.

Aan het einde van den Herviëntijd was het land zoover gedaald, dat de zee ook de door haar gevormde duinreeksen overspoelde. De baai van Herve verdween daardoor en men kon in dien tijd een zeeoppervlak waarnemen, dat zich van West naar Oost uitstrekte van Noville le Bois tot het Aachener Wald. De kust lag zuidelijk van een

lijn Noville le Bois-Hermalle-Alleur-Romséé-Magne-Xhendelesse-Petit Rechain - Verviers - Henri Chapelle-Hergenrath-AachenerwaldAachen. De Herviënzee bespoelde in het Zuiden, voor zoover er geen duinen aanwezig waren, de hooger gelegen Ardennen en in het Westen het in deze richting stijgende Massief van Brabant. Ook de St. Pietersberg was dus in dezen tijd onder den zeespiegel gelegen. Deze zee had een neritisch karakter, d.w.z. dat de diepten niet grooter geweest zijn dan ca. 200 m. Bij Houthem bedraagt de dikte van het Herviën 126 m, bij Cadier 108 m, bij Hoesselt 17 m en bij Boirs 27 m. De Dikte van de Herviën-sedimenten, 50 m bij St. Pieter, wijst er op, dat deze plaats het dichtst bij de westelijke kust gelegen heeft.

Het voorkomen van een gravende fauna aan het einde van het Herviën, geeft ons een aanwijzing, dat de zee op dit moment in noordelijke richting werd teruggedrongen. Dit kan wel niet anders geschied zijn dan tengevolge van de opheffing van de Ardennen. In sommige gedeelten van Zuid-Limburg is deze zee-regressie volledig geweest, zoodat de zeebodem weer aan de oppervlakte kwam. Op deze plaatsen is dit merkbaar aan de oxydatie van het glauconiet. Of ook de omgeving van St. Pieter wel landoppervlak geweest is, kunnen W1J> bij gebrek aan gegevens, niet beoordeelen.

Zeer nabij, o.a. bij Visè, is in dien regressietijd wel een landoppervlak geweest.

Zeer lang kan deze landperiode echter niet geduurd hebben. De opheffing van het Ardennenland zette de schollen van het voor-

Sluiten