Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

er zoo aanstonds een zwart, roodbruin en geel geband, wild vliegend monster tegen aanbotst.

Dat is Vespa crabro L., de Hoornaar, de Limburgsche „Paëschwortel”, de grootste onzer zgn. sociale wespen. Van Vespa’s hebben we hier te lande een achttal soorten, die allemaal, de een meer, de ander minder, in Zuid-Limburg voorkomen en waarvan de kans bestaat, dat men ze, met uitzondering wellicht van een tweetal, ook op den St. Pietersberg ontmoet.

Peervormige nesten van Vespa media de G., hangende aan boomtakken, zijn hier niet zeldzaam, terwijl ik meermalen de ondergrondsche nesten van V. germanica F. en V. rufa L. aantrof.

Andere plooivleugelige wespen op den St. Pietersberg zijn Eumenes coarctatus F., waarvan men de kleine, kunstige zand- en leemnestjes vaak vindt tegen de rotswanden. Talrijke Odynerussoorten, die haar meestal meerdere cellen bevattende nesten op de meest afwisselende wijzen aanleggen. Het tertiaire zand en het leem, zoowel diluviale als verweeringsleem, leveren voor het bouwen dier nestjes prachtig materiaal en zijn ideaal om er gangen in te graven. Ook in holle braamstengels slaan sommige haar tenten op en maken dan daarin tusschenschotten van leem. Er zijn zoo ongeveer een kleine dertig Odynerussen bekend, waarvan men er een groot aantal op onzen St. Pietersberg kan vinden.

Maar intusschen wordt het tijd, dat we ook eens omzien naar bijen (Apidae). Om een idee te krijgen van wat er in een landstreek op het gebied van insecten huist, is het noodig, dat men weet tegen welken tijd van het jaar naar bepaalde insectensoorten met kans op succes, moet worden gezocht.

Bij de Apiden speelt de vliegtijd een zeer voorname rol, maar tevens dient men rekening te houden met de vraag: „is die streek geschikt voor den nestbouw, groeien er de juiste planten?” Bijen toch zijn echte bloemenliefhebsters, nectarpuursters en stuifmeelverzamelaarsters. Zij behoeven dit alles voor eigen bestaan, doch ook voor instandhouding der nakomelingschap.

De St. Pietersberg voldoet aan deze voorwaarden zeer goed en het heele jaar door, met uitzondering natuurlijk der wintermaanden, krioelt het er van bijen.

’t Is onmogelijk en heeft ook geen zin hier al deze bijensoorten te gaan opnoemen, het zou aan de leesbaarheid van dit boek afbreuk doen. Zoekt gij naar Sphecodes-soorten, ik meen, dat er hier te lande een 15-tal soorten zijn, gij kunt ze in het voorjaar in overvloed vinden.

Sluiten