Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lepida Piet., Leptocerus nigronervosus Retg., L. annulicornis Steph.

De aanwezigheid hier van T ric hopt era mag ons niet verwonderen. Aan den Oostkant toch stroomt de Maas en ligt het Kanaal, aan de Westzijde loopt de Jeker, vlak langs den St. Pietersberg. Aan zijn voet is de levensvoorwaarde voor het bestaan van T ric hopt era — water — dus ruim aanwezig en het behoeft geen betoog, dat deze vliegende insecten ook worden aangetroffen boven op den berg, waar feitelijk geen water valt te bekennen.

De stand der Kokerjuffers in de buurt van Maastricht is er in de laatste jaren niet op vooruit gegaan. Niet weinig schuld hiervan zal wel te wijten zijn aan de verontreiniging van den Jeker. Dit riviertje was vroeger bekend om de hoeveelheid en verscheidenheid van het dierlijk leven binnen en langs zijn oevers. Belgische industrieën loozen er afvalwater en met dat leven is het zoo goed als gedaan. Toch zagen we in de Maastrichtsche collectie: Neureclipsis bimaculata L., Hydropsyche ornatula Mc. Lachl. en H. quttata Piet., Phryganea grandis L., Leptocerus senilis Burm., L. alboquttatus Hag., L. aterrimus Steph., L. dissimilis Steph., Limnophilus luratus Curt., Anabolia nervosa Curt., Stenophylax permissus Mc. Lachl., Halesus radiatus Curt., Chaetopteryx villosa Flv. Allemaal afkomstig van St. Pieter.

Ook voor de Odonata, de Waternimfen, kan de St. Pietersberg een gebied zijn van verrassingen. Dat heeft de berg natuurlijk eenigszins te danken aan de wateren vlak bij hem, doch vooral aan het nabije België, hetwelk dicht bij de Nederlandsche grens zoo menige zeldzaamheid leverde op ’t gebied van libellen. Dat was reeds bekend aan de Selys-Longchamps, die de buurt van Lanaeken beschouwde als een der beste „jachtterreinen op dit soort van wild”.

De onmiddellijke omgeving van Maastricht en dus ook de St. Pietersberg heeft van den rijkdom aan Libellen heel wat moeteninboeten door het dempen der grachten van de oude vestingwerken. Ongeveer 20 jaar geleden bevond zich in het Bosscherveld nog een pracht moeras met wuivend riet en lischdodden, russchen, biezen en gele lisschen. V an dat alles is niets meer over. En zoo gebeurde het, dat een eind kwam aan de bestaansvoorwaarden van menige glazenmakerssoort, welker larven haar roofzuchtig bestaan hier generatie na generatie konden vinden.

Calopteryx virgo L., zoowel als C. splendens Harris treft men den heelen zomer te St. Pieter aan. Zij zullen wel toeristen zijn, die haar geboortewieg hadden in Geul en Voer en van de boorden dezer

Sluiten