Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voudig of een drietallig blaadje zitten. De zaden zijn vergiftig.

Kruipend Stalkruid (Ononis repens) en Kattedöorn (O. spinosa) komen beide veel op bijna alle krijthellingen voor. Ze gaan hier vaak ook in akkers en weilanden over waarin ze heel moeilijk uit te roeien zijn; de landbouwers noemen ze „robosjch”, een verbastering van haar Fransche naam „arête boeuf”. Ook in sterk kalkhoudende gronden en zelfs in kalkarme leem in het Maasdal zijn beide een lastig onkruid. J

O. spmosa heeft geen ondergrondsche uitloopers; ook als de takken wel eens gaan legeren, wortelen ze nooit. O. repens heeft ondergrondsche uitloopers, de liggende takken wortelen aan de basis. Deze laatste komt in Zuid-Limburg alleen voor in den vorm procurrens, waarbij de takken aan den top in een zwakke doorn eindigende geheel ongedoornde vorm mitis komt wel in de duinen voor. De bloemen van beide geuren zeer sterk naar honig, ook de witbloeiende struikjes en worden door allerlei insecten druk bezocht.

Blaasstruik (Colutea arborescens). Reeds in het Kruijdtboek van Dodonaeus (1554) kan men lezen dat „de Linsen van Lombardije als sierplant in tuinen gekweekt worden. In 1813 meende Lejeune dat deze heester op den Pietersberg werkelijk wild groeide. Bory (1821) vermoedde evenwel dat ze hier uit tuinen ontvlucht was, ofschoon toen al de verwildering vrij groot moet geweest zijn. In het werk van Lejeune en Courtois (1836) wordt het voorkomen op den berg alleen „quasi sponte” genoemd Dumoulin (1868) en Oudemans (1872) spraken zich over het indiginaat met uit. De Belgische florist de Vos (1872) heeft alle twijfelachtig inheemsche plantsoorten van den Pietersberg nauwkeurig nagegaan en bevonden dat de Blaasstruik zonder twijfel een vreemdeling is, die haar natuurlijke noordgrens in Noord-Frankrijk en Zuid-Duitschland bereikt. Daar ze Zuidwaarts in België en Luxemburg niet voorkomt, kan men de groeiplaats op den Pietersberg ook met als noordgrens van een vroeger continu areaal opvatten. Uok thans is zij nog sterk vertegenwoordigd in de omgeving van Laestert; men vindt er ook veel spontane zaailingen; in het park te Laestert komt ze evenwel niet meer voor. Zij bloeit de heele zomer ook als er reeds volwassen vruchten aan de struik zitten. Deze opgeblazen perkamentachtige peulen zijn niet met vruchtvleesch gevuld maar met lucht die door de binnenste cellaag van de peul wordt afgescheiden. Zij openen zich niet bij rijpheid maar blijven de heele winter hangen totdat ze voldoende verweerd zijn om nu eerst de

Sluiten