Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

draaien zich bij het openen schroefvormig doordat er onder in de helmknop een laag spiraalcellen ligt.

Van Maagdepalm (Vinca minor) vindt men in het bosch bezuiden Caestert ook planten met violetroodachtige bloemen; een kleine vegetatie naast de normaal blauwbloeiende. Ofschoon maagdepalm druk door bijen en hommels bezocht wordt, ziet men hier maar zelden volwassen vruchten; ze vermeerdert zich het meest door worteluitloopers. Bij kunstmatige bevruchting kan men gemakkelijk vruchten krijgen.

Engbloem (Vincetoxicum officinale). De Pietersberg en de krijtheling bij Moerslag (St. Geertruid) zijn de eenige groeiplaatsen in ons gewest; ze is hier echter niet alleen in de open krijtweiden te vinden, maar ze kan het ook onder wat licht struikgewas goed uithouden. In het buitenland is het een uiterst veelvormige plant, die oorspronkelijk haar grootste verspreiding in Azië schijnt gehad te hebben en vanuit het oosten Europa binnengedrongen te zijn. Wij kunnen de groeiplaatsen in Zuid-Limburg voor ons land als haar noordgrens beschouwen; deze strekt zich echter nog verder over N.W. Duitschland tot in Denemarken, Z.O. Noorwegen en Midden Zweden uit. Het is in Zuid-Limburg overal dezelfde variëteit, maar aan dezelfde plant kunnen de bloemen in kleine details verschillen, o.a. naar den vorm der kroonbladen. In ’t buitenland zijn variëteiten met donkerpurper bloemen en ook met windende stengels bekend. In voedzamen grond gekweekte planten kunnen ook bij ons wel een meter hoog worden en aan de toppen eenigszins winden. De bloemen geuren sterk naar honig en worden door allerlei insecten bezocht. De bloemen bestaan uit een kroon, die den vorm heeft van een vijfpuntige ster, en uit twee stampers, die in een vergroeide, verdikte, vijfkantige stempel eindigen; deze zijn zoo gebogen dat de bovenvlakte aan de onderkant komt te zitten. De vijf helmknoppen bevatten stuifmeel, dat, evenals bij de orchideeën tot klompjes is tezamen gekleefd; ieder helmknop bezit twee zulke klompjes; deze zitten aan steeltjes, slechts heel los, twee aan twee aan de meeldraden verbonden met klemmetjes, die overlangs gespleten zijn; vlak onder deze klemmetjes liggen de honiggroeven. De zuiger of poot van een insect wordt door deze klemmetjes vastgehouden en bij het terugtrekken gaan klemmetjes en stuifmeelklompjes mee en wordt zoo het stuifmeel op den stempel van een andere bloem overgebracht. Dit kan echter alleen door vrij groote insecten geschieden; kleinere kunnen er met hun tong zoo gemakkelijk bij, dat de klompjes niet behoeven

Sluiten