Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gewone Vlier (Sambucus nigra) komt in Zuid-Limburg, vooral in het krijtdistrict, zooveel in heggen en bosschen, zelfs op muren voor, dat ze als wild wordt opgevat. De meeste zaailingen (door vogels met zaad verspreid) vindt men echter steeds in de nabijheid van gekweekte struiken, ook van de kultuurvormen met bonte of goudgele of diep ingesneden bladen en met groengele vruchten.

Tros- of Bergvlier (S. racemosa) werd hier sedert onheuglijke tijden zoowel als sierplant in tuinen en om lijsters te vangen, in bosschen gekweekt, dat men de struiken, die thans op zooveel plaatsen in alle districten in bosschen en heggen en zelfs op muren en rotsen groeien, niet als oorspronkelijk inheemsch kan opvatten. Zij hoort thuis op de bergen in het meer zuidelijk deel van Midden-Europa en in Zuid-Europa. Dodonaeus (1554) maakt geen gewag ervan voor België en Nederland; Lobelius en Clusius vermeldden haar alleen in Zuid-Europa. Voor den Pietersberg gaven L e j e u n e enCourtois haar nog niet op; wel Bory, die er nog maar een paar struiken aantrof; Dumoulin (1868) en Durand en De Wildeman (1911) vermelden ze niet meer op den berg. Tegenwoordig is ze er nog vrij zeldzaam.

Kruidvlier (S. Ebulus) groeide ten tijde van Bory (1821) alleen bij Slavante en op de oosthelling zuidwaarts van Lichtenberg („le Coq Rouge”). In de laatste jaren heeft ze zich sterk uitgebreid, zoowel op de west- als oosthelling; ook op het stortterrein der ENCI. Men kan o.a. een groote vegetatie vinden links bij de hoeve Fias te Caestert op het plateau. In Zuid-Limburg komt S. Ebulus hoofdzakelijk voor in het krijtdistrict op veel plaatsen en in groote hoeveelheid bij elkaar; ook nog daarbuiten op sterk kalkhoudende gronden. Zij bloeit zeer rijk, maar als de hoofdtros in bloei is, zijn de zijtrossen nog in knop. De bessen zijn niet vergiftig.

Roode Kamperfoelie (Lonicera Xylosteum). Noch Bory noch Franquinet (1838) en Dumoulin (1868) vermelden deze struik. In 1864 vond haar Cogniaux bij Visé en Klein Lanaye. Zij zal zich dus eerst sedert dien tijd op den Pietersberg verspreid hebben. Bij Canne en Caestert (ook in het park) komt ze thans nóg wel voor en breidt zich nog steeds uit.

Wilde Kaardebol (Dipsacus silvester). Zooals overal op de krij thellingen in ons gewest, komt deze ook op veel plekken op den berg voor. De kaardebol is bijna even sterk als distels van top tot teen gewapend tegen kleiner en grooter dieren. Reeds de bladen der winterroset in najaar en winter bezitten stekels, niet alleen van onder op

Sluiten