Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de middennerf, maar ook de zijnerven en de uitstulpingen op de bovenkant. De stengel, die in Mei uit de bladroset ontspringt, krijgt ook dadelijk stekels met breede basis en spitse top, die loodrecht van den stengel afstaan; de stengelbladen hebben aan de onderzijde een rij naar achter gekromde stekels op de middennerf. De omwindsels onder het bloemhoofdje loopen in een lange scherpe punt uit en dragen ook nog stekels aan de onderzijde. De bloemkelken hebben ieder ook een scherpe punt, waardoor de bloem in knop beschermd wordt. Voor de open bloemen zouden deze eerder hinderlijk zijn bij het insectenbezoek, maar de meeldraden steken toch boven die scherpe punten uit. Het bloemhoofdje is aan den top gekroond door een krans van omwindselachtige organen, die ook in spitse punten eindigen.

De tegenoverstaande stengelbladen zijn aan hun voet twee aan twee bekkenvormig vergroeid. In deze trechtervormige bekkens blijft steeds vocht staan. Omdat men hier dikwijls kleine doode vliegjes vindt, heeft men gemeend, dat deze Kaarden insektenetende planten waren. Dit schijnt evenwel niet het geval te zijn. Misschien dient het vocht wel als een beschutting tegen ongevleugelde insekten, als bijv. mieren. Ook moet dit vocht wel een andere scheikundige samenstelling hebben dan gewoon water, want het kan veel langer in de bekkens blijven staan dan zuiver regenwater bij dezelfde temperatuur. De bloemen openen zich in ringvormige rijen, nu eens het eerst in het midden of aan den top, dan weer het eerst aan den voet of op twee verschillende hoogten tegelijkertijd. Meestal heeft kruisbestuiving plaats, doordat het stuifmeel op den kop, niet aan de pooten van het insect opgevangen wordt. Zelfbestuiving is ook mogelijk, doordat het stuifmeel van een hooger zittende bloem op de stempels van een lagere vallen kan. De bloemhoofdjes worden wel in droogboeketten gebruikt, maar om laken te kaarden kunnen ze niet dienen, omdat de stekelpunten niet gekromd en te buigzaam zijn.

Kleine Kaardebol (Dipsacus pilosus). Hoewel reeds Do dona eus (1554) deze plant voor Nederland en België en Bory (1821) haar tusschen de hoeve en het Kasteel Caestert vermeldden, werd zij door Franquinet (1835) en Dumoulin (1868) niet meer opgegeven. In het herbarium van Bosquet (1878) ligt zij bij van C a r t i 1 s als „zeldzame plant”, In de laatste jaren zag men haar aan den voet van den Pietersberg bij de grens. Sedert ± 1880 moet ze in Zuid-Limburg al op meerdere plaatsen zijn waargenomen,

Sluiten