Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den bloempjes nader bekijken, zien we dat er veel verschil is in den vorm en het aantal der gele lintbloempjes, waardoor zoo’n heele bloempluim er losser of meer gesloten uitziet. De bladen kunnen heel smal zijn als van een wilg, maar ook breed ovaal; steeds lancetvormig en scherp getand. Het is in kuituur een willige bloeister, zoowel in schaduw als in veel licht. Op de honigrijke bloemen wemelt het van insecten, hommels, bijen, vliegen en vlinders van velerlei soort.

Smalbladkruiskruid (S. erucifolius) is in zijn typischen vorm communis op krijt heel gewoon, maar hieraan streng gebonden. De bladsegmenten zijn i tot 2 cm breed. Op droge zonnige standplaats ziet men vaak witwollig behaarde planten. De vorm tenuifolius met bladsegmenten van 2 tot 3 mm breed, komt hier niet voor, wel in Gelderland.

Goudroede (Solidago virgaurea). Deze overblijvende plant komt opvallend veel meer voor in zand- en kiezelgronden, die het krijt bedekken dan in het eigenlijke zand- of heidegebied. Normaal moet ze een boeiwijze vormen die er uitziet als een dikke aar, dicht bezet met goudgele bloempjes; zóó ziet men het evenwel het minst. Dikwijls blijft de bloeistengel in ontwikkeling achter, bijv. als de top door beschadiging verloren ging; nu hangt het af van het stadium der ontwikkeling, waarin dit plaats had, of er zich nog zijtakken kunnen vormen; in dit geval ontstaat een smaller of breeder bloemtros, die dan wel altijd korter blijft dan de normaal 30 tot 40 cm lange aarvormige bloeiwijze. De bloemen, in Augustus, geuren sterk naar honig; het krioelt er van insecten. Daar de bloemen in den tros van boven naar beneden open gaan en ieder bloem maar een paar dagen open blijft, vindt men zelden een heele bloeiwijze volkomen open. De bladen kunnen sterk in lengte en breedte en in de beharing verschillen.

Zwart Knoopkruid (Centaurea nigra) werd door Dumoulin op de westhelling tegenover het Kasteel Canne aangegeven. Ik zag haar alleen op de oosthelling tusschen Loën en Lixhe (bij de kersenboomgaarden) en verder zuidwaarts bij Hallembaye en Haccourt; maar zeer weinig.

Evenals Centaurea Jacea, die over de heele berg voorkomt in weiland en andere voedzame plaatsen, in de vorm pratensis met lagere minder vertakte stengels; in krijt en kiezel in de vorm angustifolia met hooge sterk vertakte stengels met veel talrijker maar iets kleiner bloemen, kan C. nigra zeer varieeren in den vorm der omwindsels. Beide soorten kunnen stralende of niet stralende randbloe-

Sluiten