Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hieruit ontvlucht of eenige jaren verwilderd waren: Geranium sanguineum, Digitalis lutea, Asarum europaeum, Adianthum capillus veneris, Campanula glomerata, Ajuga Chamaepitys, welke al meer dan 50 jaar niet meer zijn teruggevonden.

Tot nu toe hebben stand gehouden: Colutea arborescens, Lonicera Xylosteum, Calamintha officinalis, Lathyrus niger, Thalictrum minus, Sedum Cepaea (tot 1926), Campanula latifolia (Canne), Sempervivum tectorum, Doronicum Pardalianches, Omphalodes verna (Caestert).

Uit kuituur door vogels met zaad versleept worden:

Wegedoorn (Rhamnus catharticus) die op zeer veel plaatsen, maar meestal in een of twee exemplaren groeit; opvallend veel struiken vindt men langs den oostrand van het Biebosch te Valkenburg.

Kanadeesche Krentestruik (Amelanchier canadensis). Mispel (Mespïlus germanica), deze werd vroeger veel gekweekt voor de vruchten en voor stokken. Vooral in het krijtland komt ze op zooveel plaatsen en soms in zoo groote hoeveelheid (Heyenraad) in bosschen en heggen voor, dat ze er ingeburgerd lijkt.

Het is ook nog niet uitgemaakt of de Eén- en Tweestijlige Meidoorn (Crataegus monogyna en oxyacantha) hier wel oorspronkelijk inheemsch waren. Zoover ik weet zijn nog geen fossiele resten van deze twee soorten hier gevonden. Dodonaeus maakt in de eerste editie van zijn Cruydtboek (1554) geen gewag van Meidoorn; wat hij „Hagebesien” noemt zijn Bramen. Destijds kan het dus in Vlaanderen tenminste geen algemeene plant geweest zijn. In de tweede editie geeft hij een beschrijving en teekening van de Eénstijlige Meidoorn. Reeds vóór 1600 vindt men een „Hagedoren” vermeld als grens of wegwijzer tusschen landerijen en veldwegen. Zoo’n Meidoorn kon niet frauduleus verplaatst worden als een steen, en daar hij niet hoog wordt en gesnoeid kan worden was hij niet lasting voor ’t akkergewas. Als haag werd hij pas sedert ± 300 jaar aangewend. Vóór dien tijd plantte men meestal heggen van andere houtsoorten Haagbeuk, Beuk, Olm, Esch, Eik enz., die men als knotboomen snoeide. Ook wel van Sleedorens. Aanvankelijk haalde men allerlei jonge houtgewassen uit het bosch; later zaaide men de vruchten uit en kweekte zelf jonge haagdorens; in de laatste jaren worden ze uit de kweekerijen betrokken. In oude hagen vindt men beide soorten, maar daar de Tweestijlige onregelmatiger en minder rechtop groeit, verkoos men tenslotte de Eénstijlige.

Behalve door de groeiwijze (die niet aan gesnoeide hagen maar

Sluiten