Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het is niet twijfelachtig, dat die plekjes steppenheide te beschouwen zijn als relicten, dus op de gunstigste plekjes samengedrongen overblijfselen van een vroeger meer aaneengesloten vegetatie van dit type. Dat die vegetaties uit het Zuid-Oosten afkomstig zijn, is reeds daaruit 'te concludeeren, dat de relictplekken naar het Z.-O. toe steeds talrijker worden en steeds soortenrijker.

In Westelijke richting geven de extreemste steppenplanten het achtereenvolgens op; de eene soort vóór, de andere na valt uit. Degenen, die doordringen tot in onze Westelijke landen béhooren dan ook tot de minst streng gespecialiseerde xerothermen van deze groep, die de betiteling van steppenplanten niet zouden verdienen, ware het niet, dat ze door hun standplaatsen, maar meer nog door de duidelijke aansluiting bij de overeenkomstige steeds rijkere vegetaties meer Oostwaarts in Midden-Europa, manifesteeren tot diezelfde invasiegroep te behooren.

De tot relicten teruggebrachte verspreiding op verstrooide standplaatsen langs de vroegere immigratiewegen, gescheiden door groote, voor deze planten onoverkomelijke afstanden met bosch of voormalig bosch, wijst er op, dat de immigratie van deze elementen moet hebben plaats gehad tijdens een periode met droog (en warm) continentaal klimaat, dat bosch-ontwikkeling tegenhield.

Door microscopisch onderzoek van oude veenlagen en ook op andere wijze is komen vast te staan, dat zulk een continentaal klimaat over een groot deel van Europa heeft geheerscht in een vrij vroeg tijdvak na de ijstijden, toen de zomers niet meer koud, zelfs reeds warmer dan tegenwoordig, maar de winters nog heel streng waren. Doordat de tegenwoordige Noordzee toen droog land was, kan ook tot in ons land toe zoo’n streng vastelandsklimaat onverminderd hebben geheerscht. Deze periode heeft duizenden jaren lang geduurd, zoowat van 8000—5000 v. Chr., lang genoeg om de immigratie van kruidachtige planten, die wat sneller kunnen gaan dan boschboomen over zulke groote afstanden als de breedte van een half continent mogelijk te maken.

In die tijd was de boschgroei nog beperkt tot lichte dennen- en berkenbosschen en vooral ook veel boschj es van hazelaar-struikgewas. Die ijle en open verspreide bebossching zal de uitbreiding van droogteminnende kruiden niet heel sterk belemmerd hebben.

De boschboomen els, iep, eik, linde en esch zijn ook wel achtereenvolgens reeds vroegtijdig hier verschenen, maar die hebben zich vooreerst slechts in gering aantal kunnen vestigen en handhaven,

Sluiten