Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van dien tijd, door den wereldoorlog in zijn groei wel werd belemmerd. Tot het jaar 19x4 verschenen er acht bijdragen in verschillende jaarboeken en tijdschriften. Juist maakten wij ons op om, met finantieelen steun van de Gentsche Universiteit een grooten onderzoekingstocht door de Belgische grotten te ondernemen, toen de oorlog uitbrak, die ons beider wetenschappelijk werk stopzette.

Eerst veel later had ik het geluk om een vervanger voor Dr. B e q u a e r t te vinden in Dr. RobertLeruthuit Luik. Deze buitengewoon ijverige en dra in ’t vak doorkneede onderzoeker deed eenige belangrijke vondsten in de op aangrenzend gebied gelegen grotten van den St. Pietersberg, maar de beste, werkelijk verbazingwekkende resultaten waren voor hem weggelegd bij zijn onderzoekingen van de natuurlijke grotten in de andere deelen van België. De meeste latere nummers van de „Exploration biologique etc.” waren van zijn hand. Zij verschenen deels in het „Maandblad van het Natuurhistorisch Genootschap in Limburg”, deels in het „Bulletin du Musée royal d’Histoire naturelle de Belgique” en elders. De laatste „Contribution” van onze „Exploration biologique des Cavernes de la Belgique et du Limbourg hollandais” draagt het nummer XXXV. In de 35 bijdragen is ongeveer alles neergelegd, wat wij tot nog toe over de in de Zuid-Limburgsche grotten levende wezens weten. Alle daarop betrekking hebbende biografische en zoölogische bijzonderheden zijn opgenomen in het groote verzamelwerk „Animalium Cavernarum Catalogus” auctore B. Wolf, ed. W. Junk, ’s Gravenhage, 1934-1938, hetwelk o.a. in de Bibliotheek van het Natuurhistorisch Genootschap te Maastricht kan worden geraadpleegd.

Wie dezen catalogus gebruikt, zal inzien, dat de studie van de Limburgsche grottendieren slechts een jonge tak is aan een ouden, breedvertakten boom. Deze boom heet „Spelaeo-Biologie” of grottenleven-onderzoek. Zijn vaderland is het oude keizerland Oostenrijk. In Oostenrijk ging de beweging voor biologisch grottenonderzoek oorspronkelijk uit van de beroemde Adelsberger grot in het Hertogdom Krain en breidde zich van daar over alle Alpenlanden uit en kwam via Oostenrijk naar Frankrijk. De Franschen hebben wel het meeste en beste op dit speciale gebied gepresteerd. Dan kwamen de grotten der Apenijnen in Italië aan de beurt en daarnaast geleidelijk de veel minder opleverende grotten van alle andere landen van Europa. Buiten ons Werelddeel heeft het zoölogisch grottenonderzoek vooral in Noord-Amerika belangrijke resultaten opgeleverd. In Afrika doorzochten de Franschen hun kolonie Algiers met een even grooten

Sluiten