Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ijver naar cavernicolen als ze in het vaderland gedaan hadden. Ook de tropische grotten in Indië enz. werden niet vergeten; zij vormen echter weer een wereld apart en kunnen met de grotten der gematigde streken niet zonder meer worden vergeleken.

Wat heeft het tot een zoo klein gebied beperkte Zuid-Limburgsche grottenonderzoek voor belangwekkends opgeleverd?

Het heeft aangetoond wat wij wel en wat wij niet hebben; het heeft belangrijk materiaal verschaft voor de oplossing van verschillende vraagstukken, welke zich in de Spelaeo-Biologie voordeden. De hoofdzaak is: wij weten thans, dat wij meer bezitten dan wij meenden te mogen verwachten! Wij kunnen ons wel niet meten met de Alpen- en Pyrerieeënlanden, met hun oeroude grotten-fauna, vertegenwoordigd door dieren, welker voorouders sedert honderdduizenden, zelfs millioenen jaren in de duistere kerkers van de onderwereld leefden. Maar, ofschoon onze grotten in den loop van de laatste tweeduizend jaren door menschenhanden gemaakte „onderaardsche steengroeven” zijn, kunnen wij, tenminste wat de grotten-insekten betreft, met de natuurlijke grotten van de ons omringende landen, België, Rijnland, Westfalen en Noord-Duitschland in ’t algemeen, zeer goed concurreeren. Dit vindt zijn oorzaak hierin, dat deze zeer oude Belgische en andere grotten door geologische oorzaken toch slechts een recente grottenfauna bezitten, evenals dit met onze grotten het geval is. Wij hebben onder de insekten geen Troglobionten, maar wel een geheele reeks van interessante „Troglophilen”.

Wat zijn Troglobionten en Troglophilen? Ik zou den lezer gaarne deze en andere wetenschappelijke uitdrukkingen besparen, maar kan men daar zonder wel iets wetenswaardigs over de grottendieren zeggen? Laten wij het kort maken. Ik volg mijn medewerker L. L e r u t h, die in het Natuurhistorisch Maandblad (Deel 22, 1933, blz. 22) een splitsing maakt tusschen:

Bovenaardsche dierenwereld en Onderaardsche dierenwereld (Epigeische fauna) (Hypogeische fauna)

Wij kunnen dus de fauna van den St. Pietersberg al dadelijk in twee groepen verdeelen: dieren, die aan de oppervlakte leven en dieren, die onder de oppervlakte leven.

De onder de oppervlakte levende dieren vindt men óf in den grond zelf onder diepliggende steenen, en nog dieper, zoover als de laatste plantenwortels reiken: dit zijn de Endogeen; óf in aardnesten van zoogdieren en andere dieren: dit zijn de Pholeophilen; óf tenslotte in kleinere en grootere holten van anderen aard, zonder

Sluiten