Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

betrekking tot een gastdier: dit zijn de eigenlijke „grottendieren”, de Cavernicolen.

Daarmede zijn we aan ons eigenlijke onderwerp gekomen. Wij hebben dus gezien: alle Cavernicolen zijn Hypogeën, maar niet alle Hypogeën zijn Cavernicolen. Overigens kunnen de op zichzelf niet Cavernicole Klassen der Hypogeën gemakkelijk tot een feitelijk cavemicole levenswijze overgaan, zoowel de Endogeën als de Pholeophilen. Men zal gemakkelijk inzien, dat de in een dassennest levende insekten ook dan den das volgen, wanneer deze, hetgeen dikwijls gebeurt, zich in natuurlijke grotten vestigt. Dan worden die begeleiders van den das met hun gastdier schijnbaar Cavernicolen. Maar het vergelijkende biologisch onderzoek laat zich door dezen schijn niet misleiden. Een voornaam deel van zijn taak is het immers alle in de grotten gevonden levende wezens critisch te bestudeeren en het echte van het onechte te scheiden. Daarbij worden natuurlijk in de eerste plaats alle geheel toevallige bezoekers uit de bovenwereld afgezonderd, zooals bijv. dieren, die misschien per ongeluk van bovenaf in een diepe grot zijn gevallen of onvrijwillig door stroomend water er ingespoeld werden. De volgens deze schifting overgebleven eigenlijke Cavernicolen worden nu nog verdeeld in:

Troglobionten — Troglophilen — Trogloxenen.

Deze belangrijke indeeling is reeds zeer oud, maar niet verouderd; zij is erg theoretisch en in de praktijk niet altijd gemakkelijk door te voeren, doch ter wille van de duidelijkheid onmisbaar. Alle groote Spelaeobiologen, zooals Schiner, Hamann, J e a n n e 1, Racovitza e.a. hebben zich ervan bediend en zij heeft aan de wetenschap gedurende tachtig jaren de grootste diensten bewezen.

De Troglobionten (of Troglobiën, letterlijk vertaald: in grotten Levenden) zijn aan het grottenleven organisch, physiologisch en instinctief in hoogen, dikwijls verbazingwekkenden graad aangepast. Zij verlaten de grotten nooit vrijwillig en kunnen ook daarbuiten op den duur niet blijven bestaan. Daarom vindt men ze dus ook nooit buiten de grotten.

De Troglophilen (letterlijk: grotten Beminnenden) hebben geen bijzonder opvallende aanpassingskenmerken, ofschoon zij daarvan niet geheel verstoken zijn, tenminste velen van hen. De meesten komen ook buiten de grotten voor, maar hun lichaamsbouw, levensbehoeften enz. zijn van dien aard, dat zij in staat zijn in de grotten gansch hun leven te slijten en zich daarin ook kunnen voortplanten. Velen zijn in de grotten heel gewoon, maar daarbuiten zeer zeld-

Sluiten