Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welke in de grotten leven en raken ook met andere roofdieren van de grotten vaak slaags, dat bemerkt men aan de beschadigingen, welke zij dikwijls aan hun sprieten, tasters en pooten vertoonen. Voornamelijk door deze beroemde verwantschap is de Aechmites van onze grotten belangwekkend voor den bioloog. Hijzelf is niet troglobiont, zooals zijn zuidelijke familieleden, maar alleen troglophil. Zijn edeler familieleden kunnen zich op vele cavernicole aanpassingskenmerken beroemen. Zij hebben een bleeke, roodachtige kleur, kleine oogen, lange sprieten en pooten en een aantal lange tastborstels, welke voor de grottenkevers de belangrijkste zintuigorganen zijn. Onze Aechmites terricola heeft dat alles niet, maar hij is zeer lichtschuw en is nauwelijks ooit in de vrije natuur te vinden, zeer dikwijls daarentegen in kelders en in alle mogelijke kunstmatige grotten, in Zuid-Frankrijk ook in vele Pyreneeëngrotten. In de Zuid-Limburgsche groeven dringt hij tot op de grootste diepte door en is overal te vinden, waar iets voor hem te eten valt, ook al is het nog zoo ver van den ingang verwijderd. Zelden is hij vrij tegen een loodrechte wand zittend te vinden, meestal zoekt hij dekking onder een of ander beschuttend voorwerp, al is het slechts een weggeworpen stuk papier. Voor een grottendier en bovendien nog wel een roofdier, is dit eigenlijk zeer zonderling! Want het schijnt ons overbodig. Een probleem van de dierenpsychologie! Misschien is deze gewoonte nog een overblijfsel uit een vroegere periode van zijn bestaan, toen hij of zijn voorouders, zooals alle loopkevers dit gewoon zijn, aan de oppervlakte van de aarde onder steenen bescherming zochten. Men kan zich voorstellen dat hij deze gewoonte tot nu toe behouden heeft, evenals een parvenu, die immers ook allerlei gewoonten moeilijk aflegt, ofschoon zij eigenlijk slecht bij zijn nieuwe omgeving passen.

Wanneer wij in de gangen, welke dicht bij den ingang liggen, de direct of indirect door het daglicht beschenen wanden afzoeken, zullen wij dan hier dan daar een insekt aantreffen, dat zoo stil en bewegingsloos zit als ware het dood, maar bij aanraking blijkt, dat het leeft. Hier zit een vlinder, ginds een vliesvleugelig insekt, een vlieg of een mug. Hoe deze dieren ieder voor zich heeten, kunnen wij van een entomoloog met de noodige ervaring, bij voorkeur van een specialist op het gebied van de betreffende groep te weten komen; maar alleen de spelaeobiologie kan ons zeggen of het dier, dat wij voor ons zien, tot de Cavernicolen gerekend moet worden of dat het maar een toevallige indringer is. In de buurt van de grotten-

Sluiten