Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Die vlooien, zoo zegt Dr. J. Th. O u d e m a n s in De Nederlandsche Insecten, blz. 592, welke op vogels en vleermuizen leven, springen in het geheel niet”. Ik heb deze dikwijls herhaalde bewering getoetst aan een onderzoek bij Ischnopsyllus, maar niet ten volle bevestigd gevonden. Uit een laag kartonnen doosje sprong mijn lieveling weg, ongeveer 3 cm hoog en 4 cm ver. Eppur si muove!

In totaal ken ik van de Maastrichtsche grottenvleermuizen een vijftal vlooiensoorten: drie Ischnopsyllussoorten, meest op M. mystacinus en andere Myotissoortzn voorkomend, verder Nycteridopsylla pentactena (Kol.) op de grootoorvleermuis (20 Jan. 1910) en Rhinolophopsylla untpecttnata (Taschenbr.) op de kleine hoefijzerneus.

Op de vlieghuid van onze vleermuizen parasiteeren platte mijten met lange pooten, Spinturnix vespertilionis en mystacina, die ook weer zeer merkwaardig georganiseerde en ten aanzien van de plaats, die wij haar systematisch moeten toekennen, zeer vreemde dieren zijn. De teek Eschatocephalus heb ik maar eenmaal en wel op een Hoefijzerneus, aangetroffen, bij welke soort Spinturnix niet schijnt voor te komen.

Intusschen zijn wij verder in de grot doorgedrongen, een hoek omgegaan en buiten het bereik van het directe daglicht gekomen. Om onze lamp dwarrelen enkele vliegen, ongeveer ter grootte van de gewone huisvlieg. Maar het zijn toch geen Musea domestica (de huisvlieg is tot nog toe slechts tweemaal als toevallige gast in de grotten aangetroffen, eenmaal is dit uit Hongarije en eenmaal uit Noord-Amerika medegedeeld), maar het is de beroemde Troglophile Thelida atricornis, de eenige onder onze grottenvliegen, welke op het lamplicht op deze wijze afkomt. Haar larve leeft in vleermuizenmest, maar is volstrekt niet zoo verwend, dat zij ook niet anderen kost voor lief neemt, b.v konijnenvleesch. In de Maas¬

trichtsche grotten komen namelijk niet alleen vleermuizen voor, maar ook konijnen, muizen (Sylvaemus silvaticus), vossen en waarschijnlijk ook dassen. Van al deze zoogdieren blijft er in de grotten veel liggen, wat voor andere dieren van hooge waarde is, soms zelfs hun vacht. Zoo heb ik dan ook eens uit een konijnenvel honderden Thelida atricornis geteeld. De mannetjes van deze soort verlaten dikwijls in troepen de duisternis der grotten en dansen buiten urenlang onder schaduwrijke struiken op en neer. Waarom ook niet?! Donkere grotten toch zijn al heel weinig geschikt voor vreugde-

dansen, geen plaatsen om uiting te geven aan joligheid en levensblijheid!

Sluiten