Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het schijnsel van onze lamp valt op een hoogen wand. Hij is geheel met zwarte en roodachtige vliegen bedekt, zoowel groote als kleine. De grootere roodachtigen zijn Helomyziden, de anderen Borboriden. Hier is voor den dipteroloog een rijken buit te halen! Hij doet het beste alle vliegen te vangen, welke hij maar even kan bemachtigen. Het vangen is niet moeilijk. Bijna nooit maakt een van deze grottenvliegen van haar vleugels gebruik, wanneer wij haar naderen. Als men er een flesch onder houdt en het insect even met den vinger aanraakt, laat het zich gewoonlijk vanzelf er in vallen. Op die manier krijgt men natuurlijk ook een groote hoeveelheid uitschot, d.w.z. vele exemplaren van de gewone Helomyzide Helomyza serrata en de even algemeene Borboride Limosina silvatica; maar deze massale vangst is de eenige manier, waarop men de samenstelling van de grottenfauna volgens al haar verschillende soorten, ook de zeldzaamste, kan vaststellen. Bij het zwakke schijnsel van de lamp kan men de afzonderlijke exemplaren van de zeldzamere soorten niet van de gewone „pecus” onderscheiden. Hiertoe is langdurige oefening noodig en een bevredigend resultaat zal men maar zelden bereiken; gewoonlijk weet men alleen dat men „iets bijzonders” te pakken heeft. Slechts de Scoliocentra’s kan men direct aan haar buitengewone grootte herkennen.

Het zou ons te ver voeren om alle soorten van Helomyziden en Borboriden te bespreken, die in den St. Pietersberg voorkomen. Bijna allen zijn echte cavernicolen, deels trogloxenen, deels troglophilen.

De volgende soorten zijn in Nederland niet buiten de grotten aangetroffen: Thelida atricornis, Oecothea praecox, Eccoptomera obscura, Amoebaleria amplicornis en caesia, Scoliocentra villosa var. villosula, Helomyza dupliciseta en modesta, evenals breviciliata en Czernyi (de laatste alleen in Petit-Lanaye, in België); de beide laatstgenoemde soorten zijn zelfs uitsluitend van den St. Pietersberg bekend. Vermoedelijk is ook Oecothea praecox oorspronkelijk door den bekenden dipteroloog Loew beschreven naar een exemplaar, dat uit Limburgsche grotten afkomstig was. Loew kreeg het van den Akenschen hoogleeraar Forst er, die op zijn excursies vaak naar Zuid-Limburg kwam. Wanneer dit dier niet in een grot gevonden is, dan zou dit het eenige exemplaar zijn, dat ooit in de vrije natuur buiten gevangen werd. In ieder geval is Oecothea praecox een van onze meest karakteristieke grotinsecten. Zij moet echter toch wel af en toe in de vrije buitenlucht voorkomen, anders zou zij nooit in onze kunstmatige grotten binnengekomen kunnen zijn. Vermoedelijk

Sluiten