Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Phoriden een zekere rol. De Phoriden komen niet in groot aantal bij elkaar op de wanden voor, maar leven meer afzonderlijk en verscholen. Het beste vangt men ze daarom in zoogenaamde Barbervallen, welke zijn voorzien van een sterk riekend aas, een mengsel van aarde, bedorven visch of vleesch en kaas. Deze vallen zijn ook voor cavernicole kevers zeer geschikt. Er is geen betere vangmethode dan met behulp van Barbervallen; men kan aannemen, dat men daarmede zesmaal meer cavernicole insecten vangt dan

L.„nri op welke andere wijze ook. De

Afb. 5. Lijk van een SCOLIOCLNTRA . ^ J ,

(grotviieg), die door de zwam stilbella insecten kruipen tot aan den KERVILLEI gedood is. Drie paddestoelach- rancJ van Je val, komen echter tige vruchtlichamen. . , .

met tot aan het aas, maar in een vloeistof eronder, waarin zij verdrinken en bederfwerend bewaard blijven.

In onzen St. Pietersberg huizen nabij en aan de andere zijde van de Belgische grens, twee Phoriden, waarop wij trotsch mogen zijn, want zij zijn in den waren zin des woords als troglophil te beschouwen. Naar de eene, Triphleba antricola (afb. 6) moet in het Nederlandsche gebied van Limburg nog gezocht worden, zij werd tot nu toe alleen bij Lanaye (België, Grotte du Pylöne) gevonden. De andere, Megaselia tenebricola leeft in de grot van Caestert, welke zich aan weerszijden van de grens uitstrekt.

Triphleba antricola werd door mij het eerst beschreven (Tijdschrift v. Entomologie LXI, blz. 233) uit natuurlijke grotten van Krain, Bosnië en Herzegowina; thans is zij uit de natuurlijke grotten van vele landen bekend: in Duitschland uit Holstein, Rijnland, Westfalen, Silezië, verder uit België, Frankrijk, Spanje, Italië, Hongarije, Neder-Oostenrijk. In de oostelijke Alpen en op de Balkan komt zij dikwijls tezamen met Triphleba aptina voor, een reeds in 1854 door S c h i n e r uit de Adelsberger grot beschreven, na-

Sluiten