Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verwante soort. Triphleba antricola werd tot nu toe slechts tweemaal in de vrije buitenlucht aangetroffen, aptina nog nooit. De naam aptina wijst er reeds op, dat deze Phoride nooit vliegt, ofschoon zij normaal ontwikkelde vleugels heeft. Er is weinig kans op dat wij ook deze soort bij ons zullen vinden. Leruth zocht haar tevergeefs in België, en de noordelijkste mij bekende vindplaats is de Frankische Schweiz in Beieren. Het wijfje van antricola is op zij bij het vijfde

abdommaal-segment met een bundel zwarte tastborstels versierd, welke bij aptina ontbreken.

Megaselia tenebricola werd pas in 1934 door mij in het Natuurhist. Maandblad dl. 23, blz. 32 uit natuurlijke grotten in België beschreven en lijkt zeer veel op de gewone, ook in huizen voorkomende Megaselia rufipes. Intusschen is zij ook uit Silezische en Carinthische grotten bekend geworden. Tot nu toe was ze alleen in de onderaardsche wereld gevonden, maar in 1937 trof ik haar meermalen aan in een tuin bij Tullamore in Ierland, op overblijfselen van kleine dieren. Ik vermoed daarom, dat het bij deze interessante soort zoo is gesteld, dat zij een vochtig en koel, in den winter nagenoeg vorstvrij klimaat, dat met het lersche overeenkomt, noodig heeft; een

dergelijk klimaat vindt zij bij ons alleen in den vorm van het „microklimaat” van de grotten.

Wij willen nu nog eenmaal met de lamp een wand afzoeken, ditmaal om iets zeer bijzonders te zien te krijgen, een dier, dat als larve een vrijwel troglobiont karakter heeft, d.w.z. in zoo sterke mate aan het grottenlevën is aangepast, dat men eigenlijk niet kan begrijpen, hoe het mogelijk is, dat het nog buiten de grotten kan leven. Het is alleen daarom geen werkelijke troglobiont, omdat het er blijkbaar in slaagt, — wij weten nog niet hoe — om hier en daar ook bovenaards het minimum voor zijn bestaansmogelijkheid te vinden; misschien onder omgevallen aardkluiten of in dergelijke tijdelijke spleten en holten, dus eigenlijk „endogeïsch”, wanneer wij het zoo noemen willen.

Afb. 6.

TRIPHLEBA ANTRICOLA, EEN TROGLOPHILE PHORIDE UIT DEN ST. PIETERSBERG.

Sluiten