Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan den wand zien wij hier en daar wat glinsteren, zeer smalle zilverachtige streepen, ter lengte van een centimeter, ongeveer zooals gekronkelde slakkensporen. Dat is juist hetgeen wij zoeken! Nu komt het er op aan om de oogen den kost te geven, teneinde het dier zelf te vinden, dat zich op dit spoor bevindt. Het valt niet gemakkelijk om het te ontdekken, want het is geheel kleurloos en zoo doorzichtig als glas. Door het schijnsel van de lamp verontrust beweegt er zich opeens iets en trekt zich samen. Daardoor heeft het dier zich verraden en wij zien het nu duidelijk. Deze levende glasdraad daar, ongeveer 11 mm lang en 0.5 a 0.7 mm breed, is de larve van Speolepta leptogaster, een mug uit de familie der Fungivoriden. Haar wetenschappelijke naam beteekent: Teere Grottensmalbuik.

De naam is eigenlijk bedoeld voor het volwassen insect, maar past toch ook uitstekend voor de larve. Het diertje is ongeveer zestien maal zoo lang als breed en kan zich nog meer in de lengte uitrekken, waarbij het dan ook overeenkomstig dunner wordt. Het is zoo teer en de huid is zoo dun, dat het reeds doodelijk gewond wordt, zoodra wij het met den vinger of wat ook aanraken. Wanneer wij het willen meenemen om het in het laboratorium te onderzoeken of voort te telen, dan moeten wij den geheelen slijmband met het dier van den wand losmaken en in een vochtige doos, met een daartoe vereischte onderlaag, overbrengen. Het beste is nog om het geheele stuk mergel, waarop zich het spoor der larve bevindt, uit den wand van de grot te hakken. Zulk een teer wezentje kan niet evenals andere Fungivoridenlarven, in zwammen rondkruipen, het moet steeds op een en dezelfde oppervlakte blijven. Maar ook de wand in de grot is voor het dier nog veel te ruw. Het vermijdt dan ook iedere aanraking ermede en beweegt zich uitsluitend op een eigengemaakte onderlaag, een soort spinsel. Dit spinsel ontstaat op de volgende manier: de larve, welke uit het ei komt, scheidt eerst een kleinen band slijm uit den bek af, waarop zij blijft rusten. Wanneer zij in de omgeving voedsel wil zoeken, dan spint ze door den kop naar rechts en links heen en weer te bewegen, een draad, welke dwars voor het dier is gespannen en welke aan uitstekende deelen van het gesteente bevestigd is; daarna schuift zij het voorgedeelte van het lichaam op dezen draad en spint nu op dezelfde wijze verder. Zij is er daarbij steeds op bedacht om den centralen weg naar voren te verlengen. Daar zij op een oppervlakte van enkele vierkante centimeters in alle richtingen uitstapjes onderneemt, ontstaat er geleidelijk een net van elkaar kruisende draden met kleine mazen,

Sluiten