Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te vangen en begeerig stuktrekt en verslindt. De rooverhoofdman is natuurlijk de Aechmiteslarve, waarvoor vermoedelijk geen ander dier uit deze kleine diergaarde veilig is.

De cichoreibedden worden soms zeer ver vanaf den ingang door de boeren uit den omtrek aangelegd; in den Louwberg worden daarvoor speciaal gangen gebruikt, welke langs de randen van de grot zijn gelegen. Het geeft zeker veel te denken, wanneer men ziet, dat zoo vele troglophile gelede dieren den weg weten te vinden naar deze afgelegen bron van bestaan. Het schijnt wel, dat het mogelijk is om tenslotte op iedere willekeurige plaats in een grot een welig tierend dierenleven te voorschijn te roepen, indien men slechts voor de noodige bronnen van bestaan, een „plantaardigen ondergrond”, zorgt.

Wij gaan terug. Ook op onzen terugweg ontdekken wij nog vele grottenbezoekers, die lang niet zoo’n haast hebben als wij om deze donkere gevangenis te verlaten. Wij gaan voorbij wanden, welke geheel bedekt zijn met Culiciden, gewone steekmuggen, die hier overwinteren en zich waarschijnlijk meer voor ons zouden interesseeren wanneer wij haar buiten in de vrije lucht zouden tegenkomen. Wij passeeren exemplaren van de mooie groote Schietmot Stenophylax concentricus Zett. (~ permistus Mc. Lach.), die hier hun dagslaap houden, verder Fungivoriden, muggen, die slechts met één poot aan het plafond hangen om er bij onze nadering zoo snel mogelijk van door te gaan. Wij komen ook weer voorbij aan het opschrift:

„Der Weg des Todes ” maar wij zien dit nu met geheel andere

gevoelens. Opeens glinstert er in de verte een zwak geelachtig schijnsel — het is de uitgang en buiten schijnt de zon met gouden stralen! Wat wekt deze vrije blik in de buitenlucht bij ons een opgewekte stemming! Wij haasten ons naar de zonnige wereld daarbuiten.

Ook de grottenonderzoeker voelt zich opgewekt door een blik in verten van geheel anderen aard. In stilte hoopt hij belangstelling te hebben gewekt voor het gebied, waarover zijn onderzoekingen zich uitstrekken. Misschien, zoo denkt hij, zal zich spoedig een jongere kracht aandienen, die het aangevangen werk zal kunnen voortzetten en voltooien. Er is nog zoo heel veel te doen. Geheele groepen van het dierenrijk, welke waarschijnlijk wel in de grotten zijn vertegenwoordigd, werden nog niet of zeer onvolledig onderzocht. De wateren in de Limburgsche grotten zijn nog heelemaal niet nagespeurd; misschien wachten ons juist hier nog groote verrassingen. Daarbij komt, dat het tegenwoordig veel gemakkelijker is om op het gebied

Sluiten