Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voelig zijn. Zij kunnen en moeten in die maanden vet ophoopen voor de komende wintermaanden, waarin voor haar geen insecten zijn te krijgen. Zij zouden als de trekvogels naar warmer streken kunnen trekken, maar deze manier passen zij niet toe. In haar lichaam hoopen ze vet op onder de huid, in het achterlichaam en in de z.g. winterslaapklier. Deze winterslaapklier bestaat uit een oorspronkelijk witte, later meer bruinachtige massa, waardoor heen zich vele bloedvaten vertakken, waardoor men vroeger meende te doen te hebben met een klier, ofschoon het met klierweefsel niets heeft te maken. De vetophooping kan bij vleermuizen zoo groot zijn, dat deze massa de spierhoeveelheid overtreft. Begin October vallen de dieren meestal in een lethargie, die maanden duurt, tot Maart of April, afhangend van de weersomstandigheden. De geheele stofwisseling is vertraagd, alle levensverschijnselen zijn sterk verlangzaamd. De hartslag is haast niet merkbaar, eenmaal in de io a 15 minuten is een slag merkbaar. Ook de ademhaling vindt met groote tusschenpoozen plaats. Het zuurstofverbruik is zeer gering en koolzuurrijk bloed komt in de aorta. De verbranding is natuurlijk ook heel gering en de lichaamstemperatuur laag. M a r e s vond bij slapende vleermuizen in de grotten van den St. Pietersberg temperaturen van 7 en 7.2 graad Celsius, terwijl de temperatuur van de omgeving 6.4 en 7.7 graad bedroeg. Ook veel lagere temperaturen kunnen ze verdragen en pas bij 4 graden Celsius onder nul bevriezen ze. De diepte van den winterslaap hangt af van de buitentemperatuur en waar deze in den St. Pietersberg vrij hoog is, is de slaap van onze hier overwinterende dieren niet zoo diep, als op koudere plaatsen. Zoo is het ook te verklaren, dat tijdens den winterslaap, de vleermuizen in den St. Pietersberg zich herhaaldelijk verplaatsen. De heer van Schaïk, die vele foto’s van vleermuizen nam, ervoer herhaaldelijk, dat binnen enkele uren verplaatsing, zelfs op groote schaal plaats vond. Beis meldt, dat hij een geringde Vale Vleermuis in denzelfden winter terug vond in een andere grot 3 km verwijderd van de plaats, waar het dier geringd was.

Onderzoekt men een in winterslaap gedoode vleermuis, dan is het darmkanaal bijna steeds leeg. Enkele faeces-ballen zijn in het laatste gedeelte van het darmkanaal aan te treffen, Tusschen de vele winterslapende vleermuizen treft men toch ook wel eens een dier aan, dat wakker is en bij lawaai weg vliegt. Het is moeilijk uit te maken, wat hiervan de oorzaak is. Heeft het dier op een plaats gehangen, waar het te koud is en hebben de koude-prikkels het dier doen ont-

Sluiten